de inhoud van dit thema n.
Download
Skip this Video
Loading SlideShow in 5 Seconds..
De inhoud van dit thema: PowerPoint Presentation
Download Presentation
De inhoud van dit thema:

play fullscreen
1 / 276

De inhoud van dit thema:

299 Views Download Presentation
Download Presentation

De inhoud van dit thema:

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - E N D - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Presentation Transcript

  1. De inhoud van dit thema: 1.2 De functie sport- en bewegingsbegeleider 1.3 In de sportpraktijk 1-1

  2. De inhoud van dit thema: 2.2 Motieven om te sporten 2.3 Functies van sport 2.4 Doelgroepen in de sport 2.5 Aandachtsgroepen voor sportstimulering 2.6 In de sportpraktijk 2-1

  3. Motieven om te sporten: • vrijetijdsmotief • gezondheids- en fitheidmotief • sociaal motief • compensatiemotief • prestatiemotief • intrinsiek motief 2-2

  4. Functies van sportdeelname: • maatschappelijke activering • ontspanning en recreatie • ontwikkeling sporttechniek en sporttactiek • stimulering bewegingsvaardigheden 2-3

  5. Doelgroep: een groep mensen (sporters) waarvan de leden een gemeenschappelijk motief of kenmerk hebben; bijvoorbeeld: • leeftijd • interesse en motivatie • achtergrond of cultuur • (on)mogelijkheden 2-4

  6. Aandachtsgroepen voor sportstimulering: • allochtonen • ouderen • mensen met een lage sociaaleconomische status (SES) • mensen met een chronische ziekte • mensen met overgewicht 2-5

  7. De inhoud van dit thema: 3.2 Verschijningsvormen van sport 3.3 Sportstimulering 3.4 Sportieve recreatie 3.5 Ontwikkelingen van sportstimulering en sportieve recreatie 3.6 Nieuwe sportvormen 3.7 In de sportpraktijk 3-1

  8. Verschijningsvormen van sport: • topsport • wedstrijdsport • recreatiesport • bewegingsrecreatie • spel 3-2

  9. Sportstimulering: • om de gezondheid van mensen te bevorderen (lichamelijk en psychisch) • om integratie te bevorderen • om maatschappelijke problemen aan te pakken 3-3

  10. Sportieve recreatieactiviteiten: • hebben een matige tot intensieve inspanning • zijn niet gericht op presteren en competitie • worden beoefend om het spelplezier, de sociale contacten en/of de gezondheid • worden beoefend in de vrije tijd en uit de vrije wil • hebben vaak aangepaste spelregels • kunnen heel divers zijn 3-4

  11. Ontwikkeling van sportstimulering en sportieve recreatie: • sportstimulering gericht op niet-actieve jeugd (jaren ’50 en ’60) • algemene sportstimulering en opkomst sportieve recreatie (jaren ‘70) • sportstimulering gericht op specifieke aandachtsgroepen (begin jaren ‘80) • accent sportieve recreatie van ‘recreatie en spel’ naar ‘sport en bewegen’ (eind jaren ’80) • sportstimulering gericht op maatschappelijke problemen (jaren ‘90) • mix van algemene sportstimulering, stimulering van aandachtsgroepen en stimulering gericht op maatschappelijke problemen (nu) 3-5

  12. Nieuwe sportvormen: • sportgames • snelheid en uitdaging • buiten het traditionele aanbod 3-6

  13. De inhoud van dit thema: 4.2 Sportaanbieders 4.3 Visie, doel en werkwijze 4.4 De omgeving van de sportorganisatie 4.5 De organisatiestructuur 4.6 In de sportpraktijk 4-1

  14. Sportaanbieders: • sportsector: - georganiseerde sport - anders georganiseerde sport - ongebonden sport • zorg- en welzijnssector • onderwijssector • recreatief-toeristische sector 4-2

  15. Sportorganisaties hebben een eigen: • visie • doelstelling • beleid • werkwijze 4-3

  16. Visie: wijze van zien; toekomstbeeld van de organisatie 4-4

  17. Doelstelling: het resultaat dat je wilt bereiken 4-5

  18. Beleid en werkwijze: • beleid: strategie; maatregelen om doelstellingen te bereiken • werkwijze: manier om beleid uit te voeren: - inzet van middelen - uitvoeren van activiteiten 4-6

  19. Sociale kaart: overzicht van andere organisaties in een bepaalde regio waar een organisatie mee samenwerkt 4-7

  20. Organisatiestructuur: een overzicht waarin staat wie wat doet en wie leiding geeft aan wie 4-8

  21. Organigram: overzicht waarin taken en verantwoordelijkheden zijn vastgelegd 4-9

  22. De inhoud van dit thema: 5.2 Ontwikkelingsaspecten 5.3 De baby of zuigeling 5.4 De peuter 5.5 De kleuter 5.6 Het jonge kind 5.7 Het schoolkind 5.8 De jongere 5.9 De volwassene 5.10 De oudere 5.11 In de sportpraktijk 5-1

  23. Ontwikkelingsaspecten: • lichamelijk • cognitief • sociaal-affectief 5-2

  24. Baby: lichamelijk: • van reflexen tot zelfstandig lopen en pakken cognitief: • grijpen is begrijpen • ervaren, herhalen, imiteren sociaal-affectief: • van allemansvriend tot eenkennigheid • behoefte aan betrouwbare verzorger 5-3

  25. Peuter: lichamelijk: • ontwikkeling grove motoriek cognitief: • fantasie en werkelijkheid door elkaar • begrijpen via zintuigen • geen geweten van binnenuit • woordenschat neemt enorm toe sociaal-affectief: • driftig en koppig • wil alles ‘zelf doen’ • samenspelen lukt nog niet 5-4

  26. Kleuter: lichamelijk: • ontwikkeling fijne motoriek • meer gespierd lichaam cognitief: • prelogisch denken • zinnen maken • grote fantasie sociaal-affectief • samenspelen • angst • eerste pogingen emoties te beheersen 5-5

  27. Schoolkind: lichamelijk: • lengtegroei • gespierder • verdere ontwikkeling fijne en grove motoriek • grote bewegingsdrang • snel moe, snel herstel • 10 –12 jaar: aanleren bewegingsvaardigheden cognitief: • ontwikkeling logisch denken • ontwikkeling abstract denken • verbetering spelinzicht • leergierig en prestatiegericht sociaal-affectief: • leeftijdsgenoten belangrijk • ontwikkeling vriendschappen • pesten • idolen 5-6

  28. Jongere: lichamelijk: • grote veranderingen • groeispurt in lengte en breedte • grote onderlinge verschillen bij jongens en meisjes • grote verschillen tussen jongens en meisjes • veel onzekerheden over uiterlijk cognitief: • abstract en logisch denken • ontwikkeling eigen normen en waarden sociaal-affectief: • streven naar zelfstandigheid • dragen van verantwoordelijkheid • erbij (bij de groep) willen horen • zoeken naar eigen identiteit 5-7

  29. Volwassene: lichamelijk: • topprestaties tot 35 jaar • ‘verval’ vanaf 35 jaar cognitief: • geen nieuwe denkstrategieën • wel interesse in leren sociaal-affectief: • duurzame relaties • midlifecrisis • na 40: rust en stabiliteit 5-8

  30. Oudere: lichamelijk: • achteruitgang cognitief: • snelheid van denken neemt af • afname geheugenfuncties sociaal-affectief: • verlies van inkomen, status, collega’s, vrienden, partner • eenzaamheid 5-9

  31. De inhoud van dit thema: 6.2 De bouw van het menselijk lichaam 6.3 De huid 6.4 De bloedsomloop 6.5 De ademhaling 6.6 Het bewegingsapparaat 6.7 De spijsvertering 6.8 Het menselijk lichaam bij inspanning 6.9 In de sportpraktijk 6-1

  32. Opbouw menselijk lichaam: • cellen • weefsels • organen • orgaanstelsels 6-2

  33. Cellen: • zijn zelfstandig levende eenheden in je lichaam • hebben in principe dezelfde bouw • hebben allemaal hun eigen ‘taak’ 6-3

  34. De huid: • biedt bescherming tegen schadelijke bacteriën en uitdroging • regelt temperatuur via haartjes en zweetkliertjes • vormt vitamine D onder invloed van zonlicht • functioneert als gevoelsorgaan 6-4

  35. Bloedsomloop: • longader • hart • slagaders • bloedvaten die zich vertakken • haarvaten • bloedvaten die samenkomen • hart • longslagader • longhaarvaten 6-5

  36. Opbouw van bloed: • bloedplasma • rode bloedcellen • witte bloedcellen • bloedplaatjes 6-6

  37. Functies van bloed: • transport van voedingsstoffen en hulpstoffen, zoals hormonen • afvoeren van afvalstoffen, zoals koolzuurgas (CO2) • zorgt voor een constante lichaamstemperatuur • bevat afweermechanismen en afweerstoffen tegen schadelijke invloeden 6-7

  38. Het hart: • pompt bloed rond • heeft linker- en rechterkamer • heeft linker- en rechterboezem • bevindt zich precies in het midden van de borst 6-8

  39. Ademhaling: • transport van O2 en CO2 • in rust: 6 liter lucht per minuut • 2 soorten: borst- en buikademhaling • ademhalingsweg: - mond/neus - luchtpijp - twee hoofdbronchiën - kleiner wordende bronchiën - longblaasjes - longhaarvatennet • ademcentrum in hersenen 6-9

  40. Het bewegingsapparaat: • spieren • botten • gewrichten 6-10

  41. Skeletspieren: • kennen twee soorten spiervezels: - type I: rode spiervezels; slow-twitch - type II: witte spiervezels; fast-twitch • bevatten bloedvaten voor toevoer zuurstof en voedingstoffen en afvoer van afvalstoffen • zitten met pezen aan botten of huid vast • bestaan uit myofibrillen met laagjes actine en myosine die bij contractie in elkaar schuiven • worden bestuurd vanuit hersenen via motorische en sensorische zenuwen • trekken samen door samenwerking tussen agonist en antagonist • kennen concentrische, excentrische en statische contractie 6-11

  42. Botten en gewrichten: botten: • 206 verschillende • bieden stevigheid en bescherming • bestaan uit beenweefsel (kalk en lijmstof) gewrichten: • beweegbare beenverbindingen • kogelgewricht, scharniergewricht en rolgewricht 6-12

  43. Verloop van spijsvertering: • mond: - amylase zorgt voor afbraak koolhydraten - voedsel wordt fijngemalen • slokdarm - “knijpt” voedsel naar beneden - verbinding tussen mond en maag • maag - maagsappen lossen voedsel op en doden bacteriën - bij teveel lucht in maag: boeren • dunne darm - sappen uit darmwand, alvleesklier en galblaas maken voedsel fijn - voedingstoffen gaan via darmvlokken naar bloed - bloed stroomt door lever voor “schoonmaakbeurt” • dikke darm - water wordt terug geabsorbeerd naar bloed - overtollige afval wordt afgescheiden door endeldarm en anus 6-13

  44. Aanpassingen bij sportinspanning: • bloedvaatjes in huid gaan openstaan • zweetkliertjes gaan vocht afscheiden • hartslag en ademhaling versnellen • meer spiervezels worden geactiveerd • spijsvertering op ‘laag pitje’ 6-14

  45. De inhoud van dit thema: 7.2 Verstandige voeding 7.3 Voedingsstoffen 7.4 Voeding, energie en lichaamsgewicht 7.5 Voeding voor sporters 7.6 In de sportpraktijk 7-1

  46. De Schijf van Vijf: • voorziet in goede, gevarieerde voeding • voorkomt tekorten van onmisbare voedingsstoffen • helpt welvaartsziekten voorkomen • ondersteunt bij de juiste energiebalans 7-2

  47. Maaltijdschijf; vijf groepen: • groep 1: groente en fruit • groep 2: brood, (ontbijt)granen, aardappelen, rijst, pasta, peulvruchten • groep 3: zuivel, vlees(waren), vis, ei en vleesvervangers • groep 4: vetten en olie • groep 5: drinken (vocht) 7-3

  48. Voedingshygiëne: • ontdooi bevroren voedsel in koelkast • bewaar restjes niet langer dan twee dagen in koelkast • hou koelkast schoon • koop geen voedsel waarvan de verpakking stuk is • eet geen voedsel na de houdbaarheidsdatum • hou keuken en keukengerei schoon • zorg dat afwaswater goed heet is en neem een schone vaatdoek • was regelmatig je handen 7-4

  49. Een gevarieerde maaltijd bevat: • koolhydraten: snelle energieleveraars • vetten: langzame energieleveraars • eiwitten: bouwstoffen • vitamines: voor een goed verloop van lichaamsprocessen • mineralen: voor een goed verloop van lichaamsprocessen • water 7-5

  50. Functie van water: • transportmiddel voor voedsel en afvalstoffen • reguleert warmte • zorgt dat cellen goed kunnen werken 7-6