de inhoud van dit thema l.
Download
Skip this Video
Loading SlideShow in 5 Seconds..
De inhoud van dit thema: PowerPoint Presentation
Download Presentation
De inhoud van dit thema:

Loading in 2 Seconds...

play fullscreen
1 / 186

De inhoud van dit thema: - PowerPoint PPT Presentation


  • 1336 Views
  • Uploaded on

De inhoud van dit thema:. 1.2 Doelgroepen onderscheiden 1.3 Doelgroepen indelen 1.4 Doelgroepomschrijving 1.5 Doelgroepbeschrijving 1.6 Doelgroepen SAW 1.7 In de praktijk. 1-1. Onderscheid in doelgroep is zichtbaar in:. aard van de mogelijkheden en beperkingen

loader
I am the owner, or an agent authorized to act on behalf of the owner, of the copyrighted work described.
capcha
Download Presentation

PowerPoint Slideshow about 'De inhoud van dit thema:' - lotus


An Image/Link below is provided (as is) to download presentation

Download Policy: Content on the Website is provided to you AS IS for your information and personal use and may not be sold / licensed / shared on other websites without getting consent from its author.While downloading, if for some reason you are not able to download a presentation, the publisher may have deleted the file from their server.


- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - E N D - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Presentation Transcript
de inhoud van dit thema
De inhoud van dit thema:

1.2 Doelgroepen onderscheiden

1.3 Doelgroepen indelen

1.4 Doelgroepomschrijving

1.5 Doelgroepbeschrijving

1.6 Doelgroepen SAW

1.7 In de praktijk

1-1

onderscheid in doelgroep is zichtbaar in
Onderscheid in doelgroep is zichtbaar in:
  • aard van de mogelijkheden en beperkingen
  • aard van de behoeften en hulpvragen
  • de na te streven doelen
  • de benaderingswijze door de hulpverlener

1-2

doelgroepindeling zorg en welzijn
Doelgroepindeling zorg en welzijn:
  • indeling in relatie tot de ontwikkeling
  • indeling in relatie tot welzijn

1-3

ontwikkelingsfase
Ontwikkelingsfase:

bepaalde periode die in tijd is afgebakend en die

samenhangt met bepaalde gedragspatronen

1-4

welzijn
Welzijn:

een toestand waarin iemand gelukkig is op voor hem of haar

belangrijke gebieden, te onderscheiden in:

• lichamelijk welzijn

• geestelijk welzijn

• materieel welzijn

• sociaal welzijn

• cultureel welzijn

1-5

doelgroepbeschrijving naar
Doelgroepbeschrijving naar:
  • ontwikkelingsfase
  • lichamelijk en geestelijk welzijn
  • materieel, sociaal en cultureel welzijn

1-6

doelgroepen naar ontwikkelingsfase
Doelgroepen naar ontwikkelingsfase:
  • de baby (0 – 1,5 jaar)

• de peuter (1,5 - 4 jaar)

• het basisschoolkind:

- de kleuter (4 - 6 jaar)

- het jonge schoolkind (6 - 9 jaar)

- het oudere schoolkind (9 -12 jaar)

• de puber (12 - 16 jaar)

• de adolescent (16 - 21 jaar)

• de volwassene:

- de jonge volwassenheid (21 - 40 jaar)

- de middelbare leeftijd (40 - 55 jaar)

- de vroege ouderdom (55 - 65 jaar)

- de ouderdom (65 jaar en ouder)

1-7

mensen met een beperking
Mensen met een beperking:

• mensen met een lichamelijke beperking

- mensen met een motorische beperking

- mensen met een neurologische beperking

- mensen met een orgaanbeperking

- mensen met een zintuiglijke beperking

• mensen met een verstandelijke beperking

- mensen met een lichte verstandelijke beperking

- mensen met een matige verstandelijke beperking

- mensen met een ernstige verstandelijke beperking

• mensen met een meervoudige beperking

1-8

sociaal kwetsbare groepen
Sociaal kwetsbare groepen:

• mensen met psychische problemen

• mensen met gedragsproblemen

• psychogeriatrische problemen

• verslaafden

• langdurig werklozen

• sommige groepen allochtonen

• asielzoekers

• dak- en thuislozen

1-9

de inhoud van dit thema10
De inhoud van dit thema:

2.2 Menselijk gedrag

2.3 Gedragsaspecten

2.4 Gedragsdeterminanten

2.5 Stromingen in de ontwikkelingspsychologie

2.6 Pedagogische stromingen

2.7 Pedagogen en ontwikkelingspsychologen

2.8 In de praktijk

2-1

menselijk gedrag
Menselijk gedrag:
  • optelsom van gevoelens, gedachten, waarnemingen, meningen en bewegingen
  • uitdrukking van denken, vinden en voelen
  • alles wat mensen doen of juist niet doen

2-2

aspecten van menselijk gedrag
Aspecten van menselijk gedrag:

• motorisch aspect (kunnen)

• cognitief aspect (denken)

• sociaal-affectief aspect (voelen)

2-3

gevoelens gedachten en handelingen
Gevoelens, gedachten en handelingen:

gedachten

handelingen

gevoelens

en emoties

2-4

gedragsdeterminanten
Gedragsdeterminanten:

• psychosociale factoren

- opvoeding, gezinsfactoren

- vrienden, relaties

- omgevingsfactoren

- ervaringen en emoties

• aanlegfactoren

- erfelijkheid

- persoonlijkheid, temperament

• organische factoren

- lichamelijke factoren

- biochemische en hormonale factoren

2-5

stromingen in de ontwikkelingspsychologie
Stromingen in de ontwikkelingspsychologie:

• behaviorisme

• cognitivisme

• constructivisme

2-6

principes behaviorisme
Principes behaviorisme:

• gedrag is aan te leren

• gedrag aanleren op basis van rolmodellen en nadoen

• conditioneren door middel van straffen en belonen

2-7

principes cognitivisme
Principes cognitivisme:

• menselijk brein werkt als computer

• informatiestroom gaat langs verschillende geheugens

• brein heeft nieuwe kennis en ervaringen nodig

• oefenen en herhalen van leerstof is belangrijk

2-8

constructivisme voegt aan het cognitivisme toe
Constructivisme voegt aan het cognitivisme toe:

• zone van naaste ontwikkeling

• wisselwerking met de omgeving

• kind denkt zelfstandig na over de opgeslagen kennis

2-9

stromingen in de pedagogiek
Stromingen in de pedagogiek:

• autoritaire stroming

• laissez-faire stroming

• democratische stroming

2-10

pedagogen en ontwikkelingspsychologen
Pedagogen en ontwikkelingspsychologen:

• Jean Piaget (1896-1980)

• Célestin Freinet (1896-1966)

• Rudolf Steiner (1861-1925)

• Maria Montessori (1870-1952)

• Thomas Gordon (1918-2002)

• Loris Malaguzzi (1920-1994)

2-11

theoretische uitgangspunten piaget
Theoretische uitgangspunten Piaget:

• cognitieve ontwikkelingsfasen:

- sensomotorische fase (0-2 jaar)

- pre-operationele fase (2-7 jaar)

- concreet-operationele fase (7-12 jaar)

- formeel-operationele fase (12- ongeveer 15 jaar)

• elk kind doorloopt de fases in het eigen tempo

2-12

uitgangspunten van freinet
Uitgangspunten van Freinet:

• uitgaan van de interesse en ervaringen van kinderen

• al doende leren

• zelfstandig handelen en experimenteren

• communiceren met elkaar is belangrijk

• kinderen leren van en met elkaar

• naast cognitieve is sociale belangrijk

2-13

ontwikkelingstheorie van steiner
Ontwikkelingstheorie van Steiner:

• tot 7 jaar: kind is een en al zintuig en imiteert

• van 7 tot 14 jaar: kind leert vanuit gevoel en door imitatie

• vanaf 14 jaar: kind leert logisch denken

• opvoeder is bemiddelaar tussen kosmos en kind

2-14

uitgangspunten maria montessori
Uitgangspunten Maria Montessori:

• kinderen hebben natuurlijke drang om te onderzoeken

• kinderen hebben natuurlijke drang om te ordenen en rangschikken

• elk kind doorloopt dezelfde fasen

• er zijn gevoelige perioden voor leren bepaalde leerstof

2-15

methoden van gordon
Methoden van Gordon:

• actief luisteren

• ik-boodschappen

• oudercursussen ‘effectief ouderschap’ en ‘effectief omgaan met kinderen’

2-16

visie loris malaguzzi
Visie Loris Malaguzzi:

• kinderen functioneren het best in kleine ruimten met een specifieke functie

• kinderen ontmoeten elkaar in de piazza

• kinderen verblijven in horizontale groepen

• opvoeder stimuleert eigen identiteit, zelfstandigheid en creativiteit

2-17

de inhoud van dit thema27
De inhoud van dit thema:

3.2 Lichamelijke ontwikkeling

3.3 Cognitieve ontwikkeling

3.4 Sociaal-affectieve ontwikkeling

3.5 In de praktijk

3-1

lichamelijke ontwikkeling baby
Lichamelijke ontwikkeling baby:

• lichamelijke groei:

- lichaamsverhoudingen worden normaler

• motorische ontwikkeling:

- van reflexmatig naar zelfstandig lopen en pakken

• zintuiglijke ontwikkeling:

- alle zintuigen ontwikkelen zich

3-2

cognitieve ontwikkeling baby
Cognitieve ontwikkeling baby:

• door rijping én door leren

• ervaren, herhalen, imiteren

• leren via de tast (vooral de mond)

• taal: van geluidjes naar tweewoordzinnen

3-3

sociaal affectieve ontwikkeling baby
Sociaal-affectieve ontwikkeling baby:

• van allemansvriend naar eenkennigheid

• hechting aan stabiele, betrouwbare verzorger

• ontwikkeling eigen persoonlijkheid

• contact met baby’s en lichaamstaal

• zintuiglijk genot

3-4

de inhoud van dit thema31
De inhoud van dit thema:

4.2 Lichamelijke ontwikkeling

4.3 Cognitieve ontwikkeling

4.4 Sociaal-affectieve ontwikkeling

4.5 In de praktijk

4-1

lichamelijke ontwikkeling peuter
Lichamelijke ontwikkeling peuter:

• lichamelijke groei:

- groeitempo neemt af (en daarmee eetlust ook)

- voornamelijk breedtegroei

• motorische ontwikkeling:

- vooral ontwikkeling grove motoriek

- beheersing sluitspieren (zindelijk)

4-2

cognitieve ontwikkeling peuter
Cognitieve ontwikkeling peuter:

• denken in pre-operationele fase

• magisch denken

• taalontwikkeling in differentiatiefase

• sterke exploratiedrang

4-3

sociaal affectieve ontwikkeling peuter
Sociaal-affectieve ontwikkeling peuter:

• ontstaan ik-besef (egocentrisch)

• driftig en koppig

• begin van gewetensontwikkeling

• speelt graag naast anderen (nog niet echt samen)

• ontstaan van vriendschappen

• veel angst en fantasie

• lust is gekoppeld aan zindelijk worden

4-4

de inhoud van dit thema35
De inhoud van dit thema:

5.2 De kleuter

5.3 Het jonge schoolkind

5.4 Het oudere schoolkind

5.5 In de praktijk

5-1

lichamelijke ontwikkeling kleuter
Lichamelijke ontwikkeling kleuter:

• vooral lengtegroei en spiergroei

• ontwikkeling fijne motoriek

• ontstaan handvoorkeur

5-2

cognitieve ontwikkeling kleuter
Cognitieve ontwikkeling kleuter:

• denken in pre-operationele fase

• zinnen maken

• nog veel fantasie

5-3

sociaal affectieve ontwikkeling kleuter
Sociaal-affectieve ontwikkeling kleuter:

• samen spelen en samen delen

• sterke identificatie

• verwerking angst en emoties in fantasiespel

• begin van intern geweten

• ontwikkeling eigen identiteit

• aandacht voor geslachtsdelen

5-4

lichamelijke ontwikkeling van het jonge schoolkind
Lichamelijke ontwikkeling van het jonge schoolkind:

• meer ‘volwassen’ lichaamsverhouding

• goede oog-handcoördinatie

• grote bewegingsdrang

5-5

cognitieve ontwikkeling jonge schoolkind
Cognitieve ontwikkeling jonge schoolkind:

• denken in concreet-operationele fase

• begin abstract denken

• fantasie maakt plaats voor realiteit

• enorm leergierig

• ingewikkelde zinnen

5-6

sociaal affectieve ontwikkeling jonge schoolkind
Sociaal-affectieve ontwikkeling jonge schoolkind:

• gericht op vriendjes van eigen sekse

• rolverdeling in groep

• prestatiegericht

• houdt emoties verborgen

• ongehoorzaamheid

5-7

lichamelijke ontwikkeling oudere schoolkind
Lichamelijke ontwikkeling oudere schoolkind:

• harmonieuze lichaamsverhouding

• verschil jongens en meisjes

• fijne en grove motoriek goed ontwikkeld

5-8

cognitieve ontwikkeling oudere schoolkind
Cognitieve ontwikkeling oudere schoolkind:

• denken in concreet-operationele fase

• vermogen tot reflectie

• leergierig en prestatiegericht

5-9

sociaal affectieve ontwikkeling oudere schoolkind
Sociaal-affectieve ontwikkeling oudere schoolkind:

• peergroup erg belangrijk

• identificatie met idolen

• ontwikkeling normen en waarden

• pesten komt veel voor

• latentiefase op seksueel gebied

5-10

de inhoud van dit thema45
De inhoud van dit thema:

6.2 Jeugdjaren

6.3 Lichamelijke ontwikkeling

6.4 Cognitieve ontwikkeling

6.5 Sociaal-affectieve ontwikkeling

6.6 Normovertredend gedrag

6.7 In de praktijk

6-1

lichamelijke ontwikkeling pubers
Lichamelijke ontwikkeling pubers:

• meisjes vroegrijp, jongens laatrijp

• ingrijpende lichamelijke veranderingen

• groeispurt

• vaak negatieve lichaamsbeleving

6-2

cognitieve ontwikkeling pubers
Cognitieve ontwikkeling pubers:

• denken in formeel-operationele fase

• langetermijngeheugen neemt toe

• abstract en systematisch denken

• eigen denkwereld centraal

• zelfstandig denken

6-3

sociaal affectieve ontwikkeling pubers
Sociaal-affectieve ontwikkeling pubers:

• streven naar zelfstandigheid en verantwoordelijkheid

• zoeken naar eigen identiteit

• erbij willen horen

• grote interesse in seks

6-4

normovertredend gedrag
Normovertredend gedrag:

• vandalisme en crimineel gedrag

• misbruik van alcohol en drugs

• digitaal pesten

6-5

de inhoud van dit thema50
De inhoud van dit thema:

7.2 Lichamelijke ontwikkeling

7.3 Cognitieve ontwikkeling

7.4 Sociaal-affectieve ontwikkeling

7.5 In de praktijk

7-1

lichamelijke ontwikkeling adolescent
Lichamelijke ontwikkeling adolescent:

• lichamelijke volwassenwording

• meer realistische lichaamsbeleving

• biologische klok verandert

7-2

cognitieve ontwikkeling adolescent
Cognitieve ontwikkeling adolescent:

• toename langetermijngeheugen

• voltooiing abstract en kritisch denken

• interesse in politiek en religie

• leren keuzes maken

7-3

sociaal affectieve ontwikkeling adolescent
Sociaal-affectieve ontwikkeling adolescent:

• losmaking van thuissituatie

• intiemere contacten

• radicalisering

• experimenteren en identificeren

• seksuele volwassenheid

7-4

de inhoud van dit thema54
De inhoud van dit thema:

8.2 Wat is volwassenheid?

8.3 De jongvolwassene

8.4 De middelbare leeftijd

8.5 De vroege ouderdom

8.6 De ouderdom

8.7 In de praktijk

8-1

volwassenheid
Volwassenheid:

• zelfstandig zijn

• verantwoordelijkheid kunnen dragen

• handelen overeenkomstig (eigen) normen en waarden

• cultureel en maatschappelijk betrokken zijn

• duurzame relaties kunnen aangaan en onderhouden

• inhoud aan eigen leven kunnen geven

8-2

lichamelijke ontwikkeling jongvolwassene
Lichamelijke ontwikkeling jongvolwassene:

• krachtig en energiek

• begin van lichamelijk verval

• gewichtstoename

8-3

cognitieve ontwikkeling jongvolwassene
Cognitieve ontwikkeling jongvolwassene:

• vervolmaking formeel-operationele fase

• intellectuele topprestaties

• interesse in nieuwe kennis en vaardigheden

8-4

aspecten sociaal affectieve ontwikkeling jongvolwassenen
Aspecten sociaal-affectieve ontwikkeling jongvolwassenen:

• aangaan vaste relatie

• ouderschap

• vaste werkkring

8-5

lichamelijke ontwikkeling middelbare leeftijd
Lichamelijke ontwikkeling middelbare leeftijd:

• lichamelijke achteruitgang

• eerste gezondheidsproblemen

• vrouw: overgang en menopauze

• man: penopauze

8-6

sociaal affectieve ontwikkeling middelbare leeftijd
Sociaal-affectieve ontwikkeling middelbare leeftijd:

• eerste levensevaluatie

• midlifecrisis

• periode van relatieve rust

8-7

lichamelijke ontwikkeling vroege ouderdom
Lichamelijke ontwikkeling vroege ouderdom:

• verdere lichamelijke aftakeling

• reactiesnelheid en kracht nemen af

• gezichtsvermogen neemt af

• artrose

8-8

sociaal affectieve ontwikkeling vroege ouderdom
Sociaal-affectieve ontwikkeling vroege ouderdom:

• lege-nestsyndroom

• tweede levensevaluatie

• pensionering

• toename probleemdrinkers

• komst kleinkinderen

8-9

lichamelijke ontwikkeling ouderdom
Lichamelijke ontwikkeling ouderdom:

• verdere lichamelijke aftakeling

• gehoor en gezichtsvermogen nemen af

• moeite met uitvoeren complexe handelingen

8-10

cognitieve ontwikkeling ouderdom
Cognitieve ontwikkeling ouderdom:

• cognitieve achteruitgang

• snelheid denken neemt af

• leren nieuwe inzichten en vaardigheden moeilijker

• achteruitgang van de waarneming

• geheugenfunctie neemt af

8-11

sociaal affectieve ontwikkeling ouderdom
Sociaal-affectieve ontwikkeling ouderdom:

• sociale netwerk wordt kleiner

• actief blijven belangrijk

• nieuwe rollen

• groeiende groep kwetsbare ouderen

8-12

de inhoud van dit thema66
De inhoud van dit thema:

9.2 Terminologie

9.3 Soorten beperkingen

9.4 Hulpvragen van mensen met een beperking

9.5 Verliesverwerking

9.6 In de praktijk

9-1

stoornis beperking handicap
Stoornis, beperking, handicap:

• stoornis: defect of ontbreken van orgaan of orgaanfuncties

• beperking: vermindering van mogelijkheden ten aanzien van gedrag of activiteiten

• handicap (participatieprobleem): belemmering in het sociaal-maatschappelijke functioneren door een stoornis

9-2

mensen met een beperking een grove indeling
Mensen met een beperking; een grove indeling:

• mensen met een lichamelijke beperking

• mensen met een verstandelijke beperking

• mensen met een meervoudige beperking

9-3

indeling lichamelijke beperkingen naar
Indeling lichamelijke beperkingen naar:

• aard van de ziekte of stoornis

• verloop van de ziekte of stoornis

• oorzaak van de ziekte of stoornis

9-4

indeling gebaseerd op de aard van de ziekte of stoornis
Indeling gebaseerd op de aard van de ziekte of stoornis:

• mensen met een motorische beperking

• mensen met een neurologische beperking

• mensen met een orgaanbeperking

• mensen met een zintuiglijke beperking

9-5

indeling gebaseerd op het verloop van de ziekte of stoornis
Indeling gebaseerd op het verloop van de ziekte of stoornis:

• tijdelijke aandoeningen

• aandoeningen met een progressief verloop

• aandoeningen met een recidiverend verloop (steeds weer terugkerend)

• aandoeningen met een chronisch verloop (blijvend)

9-6

indeling gebaseerd op wijze van ontstaan van de ziekte of stoornis
Indeling gebaseerd op wijze van ontstaan van de ziekte of stoornis:

• aangeboren aandoeningen

• niet-aangeboren of verworven aandoeningen

9-7

verstandelijke beperking
Verstandelijke beperking:

een aangeboren of in de prille jeugd verworven

beperktheid van de geestelijke functies en/of de

ontwikkelingsmogelijkheden daarvan, zich uitend op

cognitief, sociaal-affectief en motorisch gebied

9-8

indeling mensen met een verstandelijke beperking
Indeling mensen met een verstandelijke beperking:

• mensen met een lichte verstandelijke beperking

(intelligentie 50-70)

• mensen met een matige verstandelijke beperking

(intelligentie 20-50)

• mensen met een ernstige verstandelijke beperking

(intelligentie < 20)

9-9

meervoudige beperking
Meervoudige beperking:

een combinatie van twee of meer beperkingen

die elkaar versterken en de mogelijkheden van

compensatie verminderen

9-10

hulpvraag
Hulpvraag:

de door de cliënt zelf of door de omgeving van de

cliënt geuite zorgbehoefte

9-11

fasen verliesverwerkingsproces
Fasen verliesverwerkingsproces:

• fase van onzekerheid

• shockfase

• ontkenningsfase

• fase van loskomen van emoties

• aanvaarding

• acceptatie

9-12

de inhoud van dit thema78
De inhoud van dit thema:

10.2 Aandoeningen aan het houdings- en

bewegingsapparaat

10.3 Spierziekten

10.4 In de praktijk

10-1

aandoeningen van het houdings en bewegingsapparaat
Aandoeningen van het houdings- en bewegingsapparaat:

• amputatie

• reumatische aandoeningen

• osteoporose

10-2

veelvoorkomende vormen van reumatische aandoeningen
Veelvoorkomende vormen van reumatische aandoeningen:

• artrose of gewrichtsslijtage

• reumatoïde artritis of gewrichtsontstekingen

10-3

spierziekte
Spierziekte:

ziekte die het functioneren van de spieren aantast, en

die vaak progressief van aard is

10-4

de inhoud van dit thema82
De inhoud van dit thema:

11.2 Aandoeningen van de hersenen

11.3 Aandoeningen van het ruggenmerg

11.4 Aandoening van het totale centrale zenuwstelsel

11.5 In de praktijk

11-1

aandoeningen van de hersenen
Aandoeningen van de hersenen:

• CVA (Cerebro Vasculair Accident)

• cerebrale parese

• epilepsie

11-2

categorie n epileptische aanvallen
Categorieën epileptische aanvallen:

• de gedeeltelijke of partiële aanvallen:

- eenvoudige partiële aanvallen

- complexe partiële aanvallen

• de gehele of gegeneraliseerde aanvallen:

- tonisch-clonische aanvallen (grote aanvallen)

- absences (wegrakingen)

11-3

de inhoud van dit thema85
De inhoud van dit thema:

12.2 Hart- en vaatziekten

12.3 Longaandoeningen

12.4 Diabetes mellitus (suikerziekte)

12.5 In de praktijk

12-1

longaandoeningen
Longaandoeningen:

• astma

• COPD:

- chronische bronchitis

- longemfyseem

12-2

de inhoud van dit thema87
De inhoud van dit thema:

13.2 Auditieve beperking

13.3 Visuele beperking

13.4 In de praktijk

13-1

de inhoud van dit thema88
De inhoud van dit thema:

14.2 Het begrip verstandelijke beperking

14.3 Niveau-aanduidingen

14.4 Ontwikkeling van mensen met een verstandelijke

beperking

14.5 Het syndroom van Down

14.6 Participeren in de samenleving

14.7 Begeleiding mensen met een verstandelijke

beperking

14.8 In de praktijk

14-1

verstandelijke beperking89
Verstandelijke beperking:

een aangeboren of in de prille jeugd verworven

beperktheid van de geestelijke functies en/of

ontwikkelingsmogelijkheden daarvan, die zich uit op

cognitief, sociaal-affectief en motorisch gebied

14-2

niveau aanduidingen verstandelijke beperking
Niveau-aanduidingen verstandelijke beperking:

• op basis van intelligentie

• op basis van ervaringsfase

14-3

indeling op basis van intelligentie
Indeling op basis van intelligentie:

• lichte verstandelijke beperking (IQ 50 – 70)

• matige verstandelijke beperking (IQ 20 – 50)

• ernstige verstandelijke beperking (IQ < 20)

14-4

indeling op basis van ervaringsfasen
Indeling op basis van ervaringsfasen:

1 de lichaamsgebonden ervaringsfase

2 de associatieve ervaringsfase

3 de structurerende ervaringsfase

4 de vormgevende ervaringsfase

14-5

belangrijke cognitieve functies
Belangrijke cognitieve functies:

• denken

• waarnemen

• onthouden

• taal en spraak

• leren

14-6

syndroom van down
Syndroom van Down:

• oorzaken

• kenmerken

14-7

bepalende factoren situatieve begeleidingsstijl
Bepalende factoren situatieve begeleidingsstijl:

• de cliënt

• de omgeving

• jij als begeleider

14-8

de inhoud van dit thema96
De inhoud van dit thema:

15.2 Omschrijving meervoudige beperking

15.3 Verstandelijke en zintuiglijke beperking

15.4 Verstandelijke en neurologische beperking

15.5 Neurologische en zintuiglijke beperking

15.6 Omgaan met mensen met een meervoudige

beperking

15.7 In de praktijk

15-1

meervoudige beperking97
Meervoudige beperking:

het hebben van twee of meer afzonderlijke beperkingen

die:

• ieder voor zich ernstig, omvangrijk en langdurig zijn

• elkaar wederzijds beïnvloeden op een ingewikkelde manier

• de compensatiemogelijkheden verminderen

15-2

de inhoud van dit thema98
De inhoud van dit thema:

16.2 Begripsbepaling

16.3 Autisme

16.4 Stoornis van Asperger

16.5 Stoornis van Rett

16.6 Desintegratiestoornis van de kindertijd

16.7 PDD-NOS

16.8 Behandelings- en begeleidingsmethoden

16.9 In de praktijk

16-1

kenmerken autisme
Kenmerken autisme:

• ernstige relatiestoornis of sociale stoornis

• een taal-/spraakstoornis

• weerstand tegen veranderingen

• opvallend dwangmatig en stereotiep gedrag

16-2

kenmerken stoornis van asperger
Kenmerken stoornis van Asperger:

• ernstige relatiestoornis of sociale stoornis

• weerstand tegen veranderingen

• opvallend dwangmatig en stereotiep gedrag

• intense en meer dan normale interesse in bepaalde dingen

• normale tot hoge intelligentie

16-3

kenmerken stoornis van rett
Kenmerken stoornis van Rett:

• zeldzame neurologische aandoening

• hoofdzakelijk bij meisjes

• aanvankelijk normale ontwikkeling gevolgd door regressie

• ernstige verstandelijke beperking

• kleine schedelomvang

• verlies van sociale betrokkenheid

• ontwikkeling van stereotiepe handbewegingen

• ernstige taalbeperking

• slechte coördinatie

16-4

kenmerken desintegratiestoornis van de kindertijd
Kenmerken desintegratiestoornis van de kindertijd:

• knik in ontwikkeling na twee jaar

• verlies van vaardigheden op sociaal gebied

• verlies van vaardigheden op communicatief gebeid

• stereotiep gedrag en bewegingspatroon

16-5

kenmerken pdd nos
Kenmerken PDD-NOS:

• beperking in de ontwikkeling van sociale vaardigheden en/of

• beperking in verbale en non-verbale communicatievaardigheden

• stereotiep gedrag

• voldoet niet aan criteria voor autisme of

ASS (autisme spectrum stoornis)

16-6

behandelingsmethoden pervasieve ontwikkelingsstoornissen
Behandelingsmethoden pervasieve ontwikkelingsstoornissen:

• contacttherapie

• TEACCH-programma

• Son Rise-programma

16-7

de inhoud van dit thema105
De inhoud van dit thema:

17.2 Wat is gedragsproblematiek?

17.3 Antisociaal gedrag

17.4 Oppositioneel opstandig gedrag

17.5 ADHD

17.6 Faalangst

17.7 Disharmonische ontwikkeling

17.8 Behandeling van gedragsproblematiek

17.9 In de praktijk

17-1

antisociaal gedrag cd
Antisociaal gedrag (CD):

een zich herhalend en aanhoudend gedragspatroon,

waarbij de grondrechten van anderen geweld wordt

aangedaan of belangrijke bij de leeftijd horende sociale

normen en regels worden overtreden

17-2

oppositioneel opstandig gedrag
Oppositioneel opstandig gedrag:

een herhalend en aandringend patroon van gedrag dat

niet in overeenstemming is met leeftijdsgebonden

gedragsnormen, of dat de basisrechten van anderen

schaadt

17-3

kernwoorden adhd
Kernwoorden ADHD:

• aandachtstekort

• hyperactiviteit

• impulsiviteit

17-4

indeling van faalangst
Indeling van faalangst:

• positieve versus negatieve faalangst

• naar de situatie waarin hij optreedt:

- sociale faalangst

- cognitieve faalangst

- motorische faalangst

17-5

behandeling gedragsproblematiek
Behandeling gedragsproblematiek:

• ouderbegeleiding

• gezinstherapie

• therapie voor het kind:

- cognitieve therapie

- groepstherapie

- gedragstherapie

• specifieke programma’s:

- PAD-methode

- Parent Management Training

- Problem Solving Skills Training (PSST)

• medicatie

17-6

de inhoud van dit thema111
De inhoud van dit thema:

18.2 Psychische aandoening

18.3 Het ontstaan van psychische problemen

18.4 Indeling van psychiatrische problemen

18.5 Angst- en dwangstoornissen

18.6 Schizofrenie

18.7 Depressiviteit

18.8 Borderline persoonlijkheidsstoornis

18.9 Eetstoornissen

18.10 In de praktijk

18-1

psychische aandoening
Psychische aandoening:

een aandoening waarvoor vaak geen fysieke oorzaak

gevonden kan worden en die wordt vastgesteld aan de

hand van het observeren van gedrag

18-2

ontstaan psychische problemen
Ontstaan psychische problemen:

• psychosociale factoren

- traumatische ervaringen

- relationele factoren

- opvoeding en gezinsfactoren

- cultureel-maatschappelijke factoren

• aanlegfactoren

- erfelijkheid

- persoonlijkheid, temperament

• organische factoren

- lichamelijke factoren

- biochemische en hormonale factoren

18-3

indeling psychiatrische problemen
Indeling psychiatrische problemen:

• angst- en dwangstoornissen

• psychotische problemen

• stemmingsstoornissen

• verslavingsproblemen en stoornissen in de impulscontrole

• somatoforme stoornissen

• persoonlijkheidsstoornissen

• organische stoornissen

• gedragsproblemen

18-4

angststoornissen
Angststoornissen:

• paniekstoornis

• fobie

• posttraumatische stressstoornis

18-5

dwangstoornissen
Dwangstoornissen:

• dwanggedachte (obsessie)

• dwanghandeling (compulsie)

18-6

kenmerken schizofrenie
Kenmerken schizofrenie:

• hallucinaties en wanen

• emotionele vervlakking

• afname behoefte aan sociaal contact

• afname interesses

• onsamenhangende spraak en gedachten

• chaotisch gedrag

18-7

kenmerken depressie
Kenmerken depressie:

• gevoelens van somberheid en hopeloosheid

• verminderde belangstelling in alledaagse bezigheden

• onvermogen om plezier te beleven aan alledaagse bezigheden

• verandering van eetlust

• gewichtsverandering

• moeite met inslapen en doorslapen

• cognitieve problemen (moeite met concentreren, geheugenproblemen, besluiteloosheid, traagheid in denken)

• rusteloosheid, geïrriteerdheid

• negatief zelfbeeld, gevoelens van waardeloosheid, suïcidale gedachten

• vermoeidheid, vitaliteitsverlaging

18-8

kenmerken borderline
Kenmerken borderline:

• stemmingswisselingen

• impulsiviteit

• moeite met contacten

• zelfbeschadigend gedrag

• laag zelfbeeld

18-9

meest voorkomende eetstoornissen
Meest voorkomende eetstoornissen:

• pica: niet eetbare dingen eten als zand en sigarettenpeuken

• rumineren: bewust ophalen van al doorgeslikt voedsel

• obesitas: zoveel overgewicht dat de gezondheid in gevaar komt

• binge eating disorder: voortdurende eetbuien

• orthorexia nervosa: abnormale gerichtheid op gezond voedsel

• anorexia nervosa: veel te weinig eten door een psychische oorzaak

• boulimia nervosa: eetbuien gecompenseerd door laxeermiddelen en braken

18-10

de inhoud van dit thema121
De inhoud van dit thema:

19.2 Oorzaak van dementie

19.3 Kenmerken van dementie

19.4 Benaderingswijzen van dementerenden

19.5 In de praktijk

19-1

oorzaken dementie
Oorzaken dementie:

• hersentraumata

• meerdere CVA’s

• vergiftiging

• chromosomale fout

• ziekten die de hersenen aantasten

- hersentumor

- ziekte van Alzheimer

- ziekte van Parkinson

- ziekte van Huntington

- ziekte van Creutzfeldt-Jacob

- ziekte van Korsakow

- AIDS

19-2

kenmerken dementie
Kenmerken dementie:

• geheugenstoornissen

• taalstoornissen

• problemen in de praktische vaardigheden

• problemen in de visuele herkenning

• stoornissen in de uitvoerende functies

19-3

benaderingswijze demente mensen
Benaderingswijze demente mensen:

• warme zorg

• realiteitsoriëntatietraining (ROT)

• validation

• snoezelen

19-4

de inhoud van dit thema125
De inhoud van dit thema:

20.2 Wat is verslaving?

20.3 Oorzaken verslaving

20.4 Gevolgen verslaving

20.5 Behandeling van verslaving

20.6 In de praktijk

20-1

verslaving
Verslaving:

een toestand waarin een persoon fysiek en/of mentaal

sterk afhankelijk is van:

• een verslavend middel

• lustbevredigend gedrag

20-2

oorzaken verslaving
Oorzaken verslaving:

• reactie op probleem

• biologische, psychologische of genetische gevoeligheid

• uit de hand gelopen sociaal gewaardeerde gewoonte

• ervaringen en omstandigheden

20-3

gevolgen verslaving
Gevolgen verslaving:

• sociaal isolement

• neerwaartse spiraal

• ernstige gezondheidsrisico’s

20-4

behandeling verslaving
Behandeling verslaving:

• detoxificatie (afkicken/ontgifting)

• gecombineerde behandeling

• camouflage en ontkenning

• dubbele-diagnosebehandeling

• ambulant, semimuraal, intramuraal

20-5

de inhoud van dit thema130
De inhoud van dit thema:

21.2 Allochtonen en autochtonen

21.3 De maatschappelijke positie van allochtonen

21.4 Allochtone vrouwen

21.5 Allochtone ouderen

21.6 In de praktijk

21-1

begrippen
Begrippen:

• autochtoon: oorspronkelijke bewoner van een land

• allochtoon: iemand die zelf (eerste generatie) of van wie tenminste één ouder (tweede generatie) in het buitenland geboren is

21-2

allochtonen en onderwijs
Allochtonen en onderwijs:

• relatief laaggeschoold door:

- taalachterstand

- verwachtingen van ouders

- opleidingsniveau van ouders

• geleidelijk afname opleidingsachterstand

21-3

allochtonen en huisvesting
Allochtonen en huisvesting:

• goedkope huurwoningen

• achterstandswijken in grote steden

21-4

allochtone vrouwen
Allochtone vrouwen:

• relatief kansarm

• minder goed geïntegreerd

21-5

allochtone ouderen
Allochtone ouderen:

• relatief slechte gezondheid

• weinig gebruik van voorzieningen

• eenzaamheid

21-6

de inhoud van dit thema136
De inhoud van dit thema:

22.2 Nieuwkomers in Nederland

22.3 Asielprocedure

22.4 Naturalisatie en inburgering

22.5 In de praktijk

22-1

benamingen
Benamingen:

• vreemdeling: iemand die niet de Nederlandse nationaliteit heeft

• asielzoeker: een vreemdeling die zijn land heeft verlaten en bij de Nederlandse overheid een asielaanvraag indient

• vluchteling: een asielzoeker die terecht bang is voor vervolging in zijn land en een asielvergunning krijgt

• AMA: alleenstaande minderjarige asielzoeker

• illigaal: iemand die langer in Nederland verblijft dan waarvoor hij toestemming heeft verkregen

  • migrant (landverhuizer)
  • kennismigrant (hoog gekwalificeerde migrant)

22-2

procedure asielaanvraag
Procedure asielaanvraag:

1 aanmelding

2 registratie

3 eerste gehoor

4 nader gehoor

5 beoordeling

6 beslissing

22-3

naturalisatie en inburgering
Naturalisatie en inburgering:

• naturalisatie:

de nationaliteit krijgen van het land waarnaar iemand toe is verhuisd

• inburgering:

een specifieke, begeleide en doelgericht gestuurde vorm van maatschappelijke integratie

22-4

de inhoud van dit thema140
De inhoud van dit thema:

23.2 Wat is huiselijk geweld?

23.3 Aanpak van huiselijk geweld

23.4 Kindermishandeling

23.5 Seksueel misbruik

23.6 Vrouwenmishandeling

23.7 Eergerelateerd geweld

23.8 Mishandeling van ouderen

23.9 In de praktijk

23-1

huiselijk geweld
Huiselijk geweld:

geweld binnen de relationele sfeer, onder te verdelen in:

• lichamelijk geweld

• psychisch geweld

• seksueel geweld

• verwaarlozing

23-2

interventies bij huiselijk geweld
Interventies bij huiselijk geweld:

1 preventie

• primaire preventie

• secundaire preventie

• tertiaire preventie

2 crisisinterventie

3 hulpverlening aan slachtoffers en daders

4 nazorg

23-3

vijf vormen van kindermishandeling
Vijf vormen van kindermishandeling:

• lichamelijke mishandeling

• lichamelijke verwaarlozing

• psychische mishandeling

• psychische verwaarlozing

• seksueel misbruik

23-4

gevolgen kindermishandeling
Gevolgen kindermishandeling:

• sociale problemen

• leerproblemen

• psychische klachten

• psychische stoornissen

23-5

aanpak kindermishandeling
Aanpak kindermishandeling:

• preventie

- tijdige signalering

- voorlichting

- opvoedingsondersteuning

- weerbaarheidsprojecten voor kinderen

• meldcode en meldplicht bij vermoedens

• gezinsbegeleiding

• uithuisplaatsing

• (groeps)therapie voor kind

23-6

seksueel misbruik
Seksueel misbruik:

seksuele contacten met kinderen onder de zestien jaar,

die plaatsvinden tegen de wil van het kind of zonder dat

het kind in staat is deze contacten te weigeren

23-7

vrouwenmishandeling
Vrouwenmishandeling:

• één op vijf vrouwen slachtoffer

• vaak lang verborgen

• vaak in combinatie met kindermishandeling

• hulp aan slachtoffer:

- opvang

- therapie en gespreksgroepen

- nazorg

• daderhulp

23-8

eergerelateerd geweld
Eergerelateerd geweld:

elke vorm van geestelijk of lichamelijk geweld, gepleegd

in reactie op een (dreiging van) schending van de eer

van een man of vrouw en daarmee van zijn of haar

familie waarvan de buitenwereld op de hoogte is of

dreigt te raken

23-9

mishandeling van ouderen
Mishandeling van ouderen:

het handelen of het nalaten van handelen waardoor een

afhankelijke oudere schade oploopt op lichamelijk,

psychisch en/of materieel gebied

23-10

de inhoud van dit thema150
De inhoud van dit thema:

24.2 Kenmerken van de doelgroep

24.3 Strafmaatregelen

24.4 Justitiële inrichtingen

24.5 Aanpak van delinquenten

24.6 In de praktijk

24-1

mensen met een justiti le maatregel zijn relatief vaak
Mensen met een justitiële maatregel zijn relatief vaak:

• man

• allochtoon

• afkomstig uit Oost-Europa

• matig intelligent

• psychisch in de problemen

• verslaafd

24-2

berechting van lichtere vergrijpen
Berechting van lichtere vergrijpen:

• berisping

• geldboete

• Halt-afdoening (voor jongeren tot 18 jaar)

• STOP-reactie (voor kinderen tot 12 jaar)

24-3

straffen en maatregelen
Straffen en maatregelen:

• vrijheidsstraf

- detentie (in gevangenis)

- jeugddetentie (in opvanginrichting)

• taakstraf

• vrijheidsbenemende maatregel

- TBS

- PIJ-maatregel

24-4

justiti le inrichtingen
Justitiële inrichtingen:

1 sector gevangeniswezen:

• huis van bewaring

• gevangenis

2 sector justitiële jeugdinrichtingen:

• opvanginrichting

• behandelinrichting

3 sector TBS

• TBS-klinieken

4 sector Tijdelijke Dienst Bijzondere Voorzieningen

• detentie- en uitzetcentra

24-5

belangrijke pijlers in aanpak van delinquenten
Belangrijke pijlers in aanpak van delinquenten:

• rehabilitatie:

iemand helpen weer een rol in de maatschappij te vervullen

• resocialisatie:

herintegratie in de eigen of een nieuwe sociale omgeving

24-6

de inhoud van dit thema156
De inhoud van dit thema:

25.2 Wat is cultuur?

25.3 Socialisatie

25.4 Cultuurgroepen

25.5 G-cultuur en F-cultuur

25.6 In de praktijk

25-1

cultuur
Cultuur:

het geheel van waarden en normen dat mensen

aan elkaar doorgeven

25-2

socialisatie
Socialisatie:

sociale inlijving; opneming van een individu in de

cultuur van zijn omgeving:

• primaire socialisatie:

overnemen van waarden en normen van gezin en familie en school

• secundaire socialisatie:

overnemen van waarden en normen van vrienden, buurt, leeftijdsgenoten, massamedia

25-3

primaire socialisatie in het gezin
Primaire socialisatie in het gezin:

• door beloning en correctie

• door imitatie

• door identificatie

25-4

primaire socialisatie op school
Primaire socialisatie op school:

• formele en informele overdracht normen en waarden

• verwarring als normen en waarden afwijken van thuis

25-5

secundaire socialisatie
Secundaire socialisatie:

• peergroup

• massamedia

• bijzondere situaties

25-6

cultuurgroepen
Cultuurgroepen:

• hoofdcultuur

• subcultuur

• tegencultuur

25-7

cultuursoorten
Cultuursoorten:

• G-cultuur: moderne westerse cultuur

• F-cultuur: traditionele niet-westerse cultuur

25-8

de inhoud van dit thema164
De inhoud van dit thema:

26.2 De geschiedenis

26.3 Kenmerken van het christendom

26.4 Rooms-katholicisme en protestantisme

26.5 Gewoonten binnen het christendom

26.6 In de praktijk

26-1

kenmerken christendom
Kenmerken christendom:

• monotheïsme (één God)

• drie-eenheid: de Vader, de Zoon en de Heilige Geest

• god schepper van hemel en aarde

• onsterfelijke ziel

• zondag rustdag

26-2

twee hoofdstromingen
Twee hoofdstromingen:

• rooms-katholicisme

- sterk hiërarchisch met paus als hoogste gezag

- veel pracht, praal en rituelen

- mariaverering

• protestantisme

- meer democratisch

- soberheid

- geen verering van heiligen

26-3

gewoonten en rituelen
Gewoonten en rituelen:

• sacramenten:

- de doop

- de communie (katholieken)

- het vormsel (katholieken)

- biecht (boete en verzoening, Katholieken)

- het huwelijk

- de wijding tot diaken, priester of bisschop

(katholieken)

- ziekenzalving (katholieken)

- het avondmaal (protestanten)

• kerkgang op zondag

• catechisatie en belijdenis (protestanten)

• bedevaart (katholieken)

• vrijdag visdag (katholieken)

• christelijke feesten

• tien geboden

26-4

de inhoud van dit thema168
De inhoud van dit thema:

27.2 Ontstaan van de islam

27.3 De vijf zuilen van de islam

27.4 Verdeeldheid

27.5 Gebruiken van de islam

27.6 In de praktijk

27-1

ontstaan islam
Ontstaan islam:

• 610 gesticht door profeet Mohammed

• ontstaan in Mekka, Arabië

• sjarie’a opgeschreven in Koran

• snel gegroeid onder Oemar

• sinds 50 jaar ook in Europa en Amerika

27-2

vijf zuilen van de islam
Vijf zuilen van de islam:

• de geloofsbelijdenis

• ritueel gebed (salaat)

• weldadigheid (zakaat)

• vasten tijdens de ramadan

• de haddj of pelgrimage naar Mekka

27-3

twee grote moslimgroeperingen
Twee grote moslimgroeperingen:

• soennieten

scheiding tussen wereldlijk gezag en geestelijk leiderschap

• sji’ieten

geen scheiding politiek en geestelijk leiderschap

27-4

gebruiken binnen de islam
Gebruiken binnen de islam:

• kalender volgt maanstanden

• bedekkende kleding voor vrouwen

• uithuwelijken en polygamie

• vlees van ritueel geslachte dieren

• geen varkensvlees

• geen alcohol

• nederigheid en eerbied voor ouderen

27-5

de inhoud van dit thema173
De inhoud van dit thema:

28.4 Hindoeïsme een religie?

28.3 Geschiedenis van het hindoeïsme

28.4 Het hedendaagse hindoeïsme

28.5 Kenmerken van het hindoeïsme

28.6 In de praktijk

28-1

geschiedenis hindoe sme
Geschiedenis hindoeïsme:

• oudste religie ter wereld

• 2500 voor Christus

• bloei in vedische tijd

• priesterkasten en offerrituelen

• ontstaan drie-eenheid Brahma-Vishnu-Shiva

28-2

hedendaagse hindoe sme
Hedendaagse hindoeïsme:

• bhakti en yoga

• goden Krishna, Radha, Kali, Hanuman, Ganesha

• Mahatma Ghandhi

• hindoeïsme in Nederland:

- Bhagwan Shri Rajneesh (jaren 70)

- Hare Krishna

- meditatiecentra en yoga

- New Age

28-3

kenmerken van het hindoe sme
Kenmerken van het hindoeïsme:

• karma en reïncarnatie

• standen en kasten

• reinheid

• Ayerveda

• rituelen rondom geboorte en huwelijk

• puja

• symbolen

• religieuze feesten

• heilige koe

28-4

de inhoud van dit thema177
De inhoud van dit thema:

29.2 Geschiedenis van het jodendom

29.3 Kenmerken van het joodse geloof

29.4 In de praktijk

29-1

kenmerken joodse geloof
Kenmerken joodse geloof:

• de Thora: Hebreeuwse Bijbel

• de Talmoed: uitleg van Thora

• spijswetten: kosjer en ritueel slachten

• strenge gezinsmoraal

• jongensbesnijdenis

• kalender op basis van maanstand

• feesten: sabbat, Pesach, Soekkot, Poeriem, Jom Kippoer

29-2

de inhoud van dit thema179
De inhoud van dit thema:

30.2 Ontstaan boeddhisme

30.3 Wat geloven boeddhisten?

30.4 Stromingen

30.5 Boeddhisten in Nederland

30.6 In de praktijk

30-1

de waarheden van boeddha
De waarheden van Boeddha:

• leven is lijden

• de oorzaak van het lijden is het verlangen of de begeerte

• het verlangen moet worden overwonnen

• het middel om dat te doen is het achtvoudige pad

30-2

de inhoud van dit thema181
De inhoud van dit thema:

31.2 Factoren van leefomstandigheden

31.3 Opleiding

31.4 Werk en inkomen

31.5 Huisvesting en buurt

31.6 Gezinsvormen

31.7 In de praktijk

31-1

factoren leefomstandigheden
Factoren leefomstandigheden:

• opleiding

• werk en inkomen

• huisvesting en buurt

• gezinsvorm

31-2

opleidingsniveau afhankelijk van
Opleidingsniveau afhankelijk van:

• aanleg

• stimulatie vanuit omgeving

• verwachtingen van omgeving

31-3

werk en inkomen
Werk en inkomen:

• hangt nauw samen met opleiding

• consequenties voor materieel welzijn

• consequenties voor sociaal welzijn

• consequenties voor gezondheid

31-4

huisvesting en buurt
Huisvesting en buurt:

• direct verband met werk en inkomen

• indirect verband met opleiding

• goedkope woningen in grote steden

• socialisatie in buurt belangrijk

• achterstandswijk risico voor leefomstandigheden

31-5

gezinsvorm
Gezinsvorm:

Leefverband waarbij kinderen betrokken zijn, zoals:

  • traditionele kerngezin
  • éénoudergezin
  • pleeggezin
  • stiefgezin
  • homoseksueel gezin
  • co-oudergezin
  • adoptief gezin

31-6