1 / 37

Onveilige hechting en geweld

Onveilige hechting en geweld. Uitgangspunten. De psyche van de mens ontwikkelt zich in het raakvlak tussen menselijke relaties en de zich ontvouwende structuur van het brein

Download Presentation

Onveilige hechting en geweld

An Image/Link below is provided (as is) to download presentation Download Policy: Content on the Website is provided to you AS IS for your information and personal use and may not be sold / licensed / shared on other websites without getting consent from its author. Content is provided to you AS IS for your information and personal use only. Download presentation by click this link. While downloading, if for some reason you are not able to download a presentation, the publisher may have deleted the file from their server. During download, if you can't get a presentation, the file might be deleted by the publisher.

E N D

Presentation Transcript


  1. Onveilige hechting en geweld

  2. Uitgangspunten • De psyche van de mens ontwikkelt zich in het raakvlak tussen menselijke relaties en de zich ontvouwende structuur van het brein • Een kind wordt geboren met een genetisch bepaald programma om zich te verbinden met belangrijke verzorgers: hechtingsfiguren

  3. Uitgangspunten • In interactie met deze hechtingsfiguren ontwikkelt het kind basispatronen voor de omgang met andere personen (interne werkmodellen).

  4. Bowlby • Onderzocht deze hechting en kwam tot het onderscheid: • Veilige hechting • Onveilige hechting

  5. Veilige hechting • Veilige haven - emotionele geruststelling - gevoel van veiligheid • Veilige basis voor verkenning - buitenwereld - binnenwereld

  6. Ainsworth • Onderzocht de hechting door ze in een “strange situation” te brengen. • 60 % veilig gehecht • 40 % onveilig gehecht

  7. Onveilig gehecht • 15% vermijdend, trekt zich terug op zichzelf • 15% afwerende gehechtheid : vastklampen en afweren. • 10% gedesorganiseerd : heftige onvoorspelbare wijze van reageren.

  8. Invaliderende omgevingen • Geen rekening houden met persoonlijke behoeften en grenzen. • Expressie van persoonlijke belevingen en emoties als incorrect en ongepast te benoemen. • Oplossingen van reele problemen onterecht vereenvoudigen.

  9. Invaliderende omgevingen • Bestraft expressie van emotie of het overbrengen van emotioneel lijden. • Bekrachtigt escalatie van emoties op een grillige wijze • Doet voorkomen dat het leven simpel is

  10. Invaliderende omgeving leert niet • Dat emoties betekenisvol zijn in relatie tot gebeurtenissen • Hoe emoties gemoduleerd kunnen worden • Persoonlijke belevingen te vertrouwen als betrouwbare reacties op gebeurtenissen.

  11. Invaliderende omgeving leert niet • Tegenslagen en heftige emoties te verdragen • Moeilijke problemen op te lossen • Emoties te benoemen • Emoties over te brengen • Pijn en lijden effectief te communiceren

  12. Invaliderende omgeving leert wel • Persoonlijke belevingen en uitingen af te keuren • Heen en weer te zwenken tussen emotionele remming en extreme emotionele uitbarstingen

  13. Fonagy • Verband tussen onveilige hechting en geweld. • Er was op basis van de onveilige hechting een zeer laag niveau van reflectie • Mentalisering faalde. Er was sprake van een tendens tot geweld tegen het eigen of het lichaam van de ander.

  14. Mentaliseren • Mentaliseren • Vermogen om mentale toestanden, zoals gedachten gevoelens wensen en verlangens bij je zelf en bij de ander waar te nemen.

  15. Veilige relatie • Veilige relatie is nodig om te mentaliseren. • Veilig is dat jouw opvoeder in staat is betekenis voor jou te interpreteren en daar taal aan te geven.(beleving en sensitiviteit) • Als er geen betekenis wordt gegeven, maar afwijzing gaat het kind dat overnemen en creëert een “alien – self” (vals zelf)

  16. Mentaliseren • Je hebt verbeeldingskracht nodig om in te schatten, wat anderen denken, voelen en wensen. • Zorgt ervoor dat wij onszelf en anderen kunnen begrijpen. • Is wezenlijk voor menselijke communicatie en relaties.

  17. Mentaliseren • Vermogen om onszelf “van buiten af “te zien en anderen van binnen. • Het normale vermogen om aan menselijk gedrag bedoelingen en betekenis toe te schrijven

  18. Neurologische component • Diverse gebieden zijn erbij betrokken. M.n. de frontale kwab heeft een functie in de emotie regulatie. • Mentaliseren helpt bij het reguleren van onze emotie. • Als we mentaliseren spiegelen we de ander (aanmaak spiegelneuronen)

  19. Neurologische component • Komen we in contact met de ander. We valideren de houding. Reageren op de ander. • Bij niet mentaliseren voelt de ander zich niet begrepen (geen aanmaak van spiegelneuronen). • Het contact komt niet tot stand

  20. Psychologische equivalentie • Er is geen onderscheid tussen binnen en buiten. Wat ik denk voel of waarneem, denkt voelt neemt de ander ook waar.

  21. Doen alsof modus • Er is geen onderscheid tussen fantasie en werkelijkheid. Opvattingen, overdenkingen passen niet bij de werkelijkheid.

  22. Wel of niet mentaliseren • Als je niet kan mentaliseren heb je minder identiteitsbesef, geen coherent zelf. • Als je wel mentaliseert: • - benen op de grond • - voel je wat je voelt • - ben je daar bewust van

  23. Fysiek geweld • Fysiek geweld is alleen mogelijk als we opzettelijk de mogelijkheid uitsluiten dat de persoon die we mishandelen een geest heeft. Je beschouwt de ander als een fysiek object of als lid van een vreemde groep, maar niet als een individu met belangen en wensen.

  24. Geweld en hechting • Als het te gevaarlijk is ga je niet nadenken wat de ander bedoelt. • Je leert je dus niet te verplaatsen (of ongezond). • Je kan niet interpreteren. Het was veel te onveilig. • Als er gevaar is zoek je bescherming. Die krijg je niet. Zorgt voor onveilige hechting.

  25. Niet mentaliseren • Zeer veel details zonder drijfveren, gevoelens of gedachten • Focus op externe factoren • Focus op fysieke en structurele etiketten (moe, lui, slim, zelf destructief, depressief, kort lontje) • Zaken letterlijk opnemen

  26. Niet mentaliseren • Gepreoccupeerd met regels • Ontkenning van betrokkenheid bij het probleem • Zoeken naar de schuldige, de foute • Stelligheid over gevoelens en gedachten van anderen. “Weten”. • Vijandigheid

  27. Niet mentaliseren • Actieve vermijding • Letterlijke betekenis van woorden

  28. Het vreemde of valse zelf • Internalisatie van niet contingente reflecties van de opvoeder. • Het mentalisatievermogen van de opvoeder faalt. • Er bestaat psychologische verwaarlozing of mis interpretatie van de affectieve toestand. • Dit als gevolg van eigen psychopathologie of onverwerkte levenservaringen.

  29. Het vreemde of oneigen zelf • Of een opvoeder die op de emotionele uitdrukking van het kind reageert met terugtrekking of angstaanjagende reactie. • Er is een gedrevenheid om innerlijk betekenis te zoeken van zijn eigen ervaring. • Daartoe neemt hij de geestestoestand van de opvoeder over als deel van de eigen zelfervaring

  30. Houding van de begeleider • De onwetende houding. • Niet op zoek naar complexe onbewuste motieven • Gericht op het hier en nu. • Focus op het verleden is zinloos • Trigger ligt in het heden • En dat wordt geëxploreerd

  31. Houding van de begeleider • De begeleider is voortdurend bezig om zich een beeld te vormen om zo de client te helpen begrijpen wat hij/zij voelt • En dat valideren. • Mentaliseren bestaat uit gedeelde aandacht voor de mentale toestand van de client.

  32. Houding van de begeleider • Om meerder gezichtpunten te ontdekken • Om zich te bevrijden van één werkelijkheid. • Begeleider stelt zichzelf de vraag? - wat gebeurt er nu? - waarom zegt de client dit nu? • waarom doet de client dat nu? • wat voel ik nu?

  33. Houding van de begeleider • Wat is er onlangs gebeurd dat de actuele mentale toestand rechtvaardigt?

  34. Fasen in het werken • Steun en empathie • Verhelderen • Basaal mentaliseren • Mentaliseren van de overdracht

  35. Oefening mentaliseren • Doel van de eerste fase: mentaliseren terug tot leven brengen of bevorderen. • Niet: door het aanleren van een cognitieve vaardigheid. • Niet door cliënt te vertellen dat hij verkeerd denkt/reageert of te zeggen hoe hij wel zou kunnen denken of gedrag zou moeten interpreteren.

  36. Oefening mentaliseren • Wel door de cliënt zelf te mentaliseren, door voortdurend een expliciete mentaliserende houding tegenover de cliënt zelf aan te nemen. Door voortdurend de focus te leggen op de gevoelens, de gedachten, de verlangens…die een verklaring kunnen zijn voor wat de cliënt zegt.

  37. Casus

More Related