pluriforme samenleving n.
Download
Skip this Video
Loading SlideShow in 5 Seconds..
Pluriforme samenleving PowerPoint Presentation
Download Presentation
Pluriforme samenleving

play fullscreen
1 / 24

Pluriforme samenleving

298 Views Download Presentation
Download Presentation

Pluriforme samenleving

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - E N D - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Presentation Transcript

  1. Pluriforme samenleving havo

  2. H1 Nederland als pluriforme samenleving • Naast de geschreven regels/wetten kent een land ook ongeschreven regels • Deze ongeschreven regels beïnvloeden hoe we met elkaar omgaan • De vraag die we stellen: Wat verbindt mensen met elkaar en waarin kunnen ze verschillen

  3. Cultuur = geheel aan waarden normen en aangeleerde kenmerken van een groep of samenleving. • Natuur = alles wat aangeboren is. • Normen en waarden/ kennis/ kunst/sport/ feestdagen zijn cultuurkenmerken Natuur cultuur cultuurkenmerk

  4. Mensen met een gemeenschappelijke cultuur vormen samen een cultuurgroep • In Nederland leven deze groepen naast elkaar (skaters, gothics, ajaxsupporters, miljonairs, alleenstaanden, Turken, Surinamers etc) = multi = pluriformesamenleving • Pluriformiteit staat in de grondwet/ ieder heeft recht op eigen godsdienst, eigen scholen, openbaar maken van gevoelens en gedachten, verbod op discriminatie • Dominante cultuur = wanneer de kenmerken van een cultuur door de meeste mensen geaccepteerd worden binnen de samenleving • Subcultuur= wanneer binnen een groep bepaalde waarden en normen afwijken van de dominante cultuur

  5. Tegencultuur = een groep die zich duidelijk verzet tegen de dominante cultuur/ bedreiging ( feministen jaren 70, punkers jaren 80, antiglobalisten heden) • Culturen veranderen constant= dynamisch/ soms worden tegenculturen geaccepteerd • Culteren verschillen per tijd groep en plaats

  6. H2 Cultuuroverdracht • Socialisatie = het proces waarbij waarden normen en gewoontenvan een groep of samenleving aangeleerd worden • Dit verschilt per groep , plaats en tijd • Socialisatie is altijd nodig anders verdwijnt en cultuur of samenleving!

  7. Socialiserende instituties = de plekken waar de cultuuroverdracht plaatsvindt

  8. Sociale controle = de wijze waarop mensen andere mensen stimuleren of dwingen zich aan de geldende normen te houden/ formeel volgens de wet / informeel als het om beleefdheid gaat • Om te zorgen dat mensen zich aan de regels houden vindt sociale controle plaats via sanctie = belonen en straffen

  9. Internalisatie= het zodanig eigen maken van aspecten van de cultuur dat het automatisch gaat/ bv. door imiteren Bv: naar het toilet gaan, rechtsrijden, wijze van begroeten etc. • Door socialisatie en internalisatie voelen mensen zich verwant aan een dominate cultuur = groepsidentificatie = wij gevoel ( wij werken bij de bank, wij van het elftal, wij docenten, wij Volandammers) • Naast deel uit te maken van de samenleving of groep ontwikkelt ieder ook een identiteit/aangeboren eigenschappen + aangeleerde cultuurkenmerken • Nederland kent een individualistsche samenleving / ontplooiing van individu staat centraal • Andere samenlevingen ( Afrikaans/Arabisch) noemen collectivistisch = gastvrij en zorgen voor ouderen

  10. H3 Cultuurverschillen • Binnen Nederland is er een sterke culturele diversiteit/ subculturen willen zich onderscheiden en benadrukken hun eigen identiteit • Verschillen per groep worden niet alleen gevormd door immigtanten ook regio , generatie , beroep sekse en godsdienst spelen een rol = culturele diversiteit - regio/ plattelandscultuur = betrokken heid, bemoeizucht, stadscultuur = anonimiteit. De geografische verschillen = dialect, levenswijze - generatie/ jong en oud/ generatieconflict/ jeugdculturen • beroep/ bedrijfsculturen= waardene normen die binnen een bedrijf gelden • Sekse/ mannen en vrouwen/ rolpatronen, dit is cultuur bepaald en aan verandering onderhevig • Godsdienst/ elke godsdienst heeft eigen gebruiken en opvattingen

  11. H4 Nederland is veranderd • Hoe was Nederland voor WOII en wat is daarna veranderd? • Voor: sterke gezagsverhoudingen, verschillen in sociale klassen, verzuiling = mensen organiseerde zich rondom hun geloof, gezin stond centraal, vrouwen waren tot ’56 niet handelingsbekwaam, kinderen gingen snel werken ( als je een dubbeltje bent wordt je nooit een kwartje) • Na:toename pluriformiteit, wederopbouw mbv steun uit Amerika ( Marschall hulp), meer sociale mobiliteit, groter mondigheid, gezin stond niet meer centraal = meer individualisering, andere gezinsvormen, meer welvaart onder jongeren en het ontstaan van jeugdculturen ( hippies, provo etc)/ meer vrijetijd onder de jongeren, jongeren willen ergens bij horen • Ontkerkelijking/ ontzuiling= secularisering : jaren 60, mensen trekken minder naar de kerk/ daarnaast juist een ontwikkeling in New Age/ nieuwe spiritualiteit

  12. Vrouwen emancipatie: vanaf jaren 60, meisjes gingen naar school , meer economische onafhankelijkheid, abortuswetgeving

  13. H5 Cultuurverschillen door migratie • Hoe is Nederland een plurforme samenleving geworden? • Allochtoon = iemand metr tenminste een ouder die in het buitenland is geboren, hun kinderen zijn de tweede generatie/ huidskleur telt niet mee! • Autochtoon= wanner ouders en grootouders al in Nederland wonen • Door de tijd heen is Nederland al een pluriforme samenleving ( joden uit Spanje en Portugal, franse protestanten = politieke vluchtelingen), ook door de opkomende industrie trokken mensen naar Nederland ( mijnen, textiel etc)

  14. Na WO II kwamen de volgende groepen naar Nederland: • Mensen uit de vroegere kolonien ( Ned indiers, Molukkers, Surinamers, Antillianen) • Arbeidersmigranten/ Spanje en Italie, later Turkije en Marokko nu Polen • Illegalen/ door armoede in eigen land/ geen toestemming om hier te wonen en te werken • Mensen uit westerse landen/ vooral door de grote bedrijven • Vluchtelingen/ vanwege vervolging in eigen land/ asielprocedure/ vaak uitzetting

  15. Extra Tentamenstof: “allochtonen” • Turken • Wanneer: jaren ’60 tot heden • Waarom: Voornamelijk economisch redenen. Als gastarbeiders hierheen gekomen, tegenwoordig gezinsvorming en grezinshereiging. Veel kleine zelfstandigen. • Achtergrond: uit niet stedelijke gebieden, veelal Moslim,( maar ook Christelijke Armeniërs). • Hoeveel: 373.000, 2,3% v.d. bevolking (16.4 miljoen) • Marokkanen • Wanneer: jaren ’60 tot heden • Waarom: Voornamelijk economisch. Als gastarbeiders hierheen gekomen, tegenwoordig gezinsvorming en gezinshereniging. Slechtste imago. • Achtergrond: veel Berbers uit achtergebleven gebieden, Moslim • Hoeveel: 335.000, 2,0% v.d. bevolking • Indonesiërs • Wanneer: Na de onafhankelijkheid in de jaren ‘40/’50. • Waarom: gekomen uit voormalig kolonie. Veelal politieke vl. • Achtergrond Vallen nauwelijks nog op, zijn vaak behoorlijk ‘vernederlandst’. Worden vaak als westerse allochtonen gezien. Molukkers zijn veelal Christen, de meeste andere Moslim. • Hoeveel: 387.000, 2,4%

  16. Oost-Europeanen • Wanneer: vooral sinds de jaren ’90. • Waarom: Joegoslaven en ex-Sovjets (Russen) als vluchteling, is de grootste groep. Roemen, Bulgaren economisch: (sinds kort zijn er maar 20.000) Polen: economisch (relatief veel mannen) • Achtergrond: Veelal Christelijk, vaak voor kortere periodes. • Hoeveel: circa 250.000, 1 á 2%. • Surinamers • Wanneer: vooral jaren ’70 en ‘80 • Waarom: veelal economisch maar soms ook politiek. Gekomen uit voormalig kolonie, later gevlucht voor regering. • Achtergrond: diverse geloofsrichtingen en culturele achtergronden. Spreken goed Nl. • Hoeveel: 336.000, 2,0% • Antillianen • Wanneer: vooral sinds 1985 (economische achteruitgang) • Waarom: economisch. Antillen horen nog steeds bij ons koninkrijk. • Achtergrond: verschilt per eiland wel wat, veel Christenen. • Hoeveel: 132.000, 0,8% • West Europeanen/VS • Wanneer: al eeuwen • Waarom: economische redenen. • Achtergrond: veelal Christelijk • Hoeveel: circa 1.000.000 (Duitsers 379.000), circa 6%

  17. Asielzoekers • Wanneer: al eeuwen • Waarom: op de vlucht voor geweld, moord en ernstige onderdrukking • Achtergrond: Uit alle windrichtingen • Hoeveel: variërend van een paar duizend per jaar tot enkele tienduizenden per jaar. Er gaan er ook weer een aantal terug naar eigen land of de illegaliteit in. • Nederland heeft mensen met achtergronden uit meer dan 150 landen. In totaal is 20% van de bevolking ‘allochtoon’. Circa 7% is Moslim.

  18. H6 Het toelatingsbeleid • Welke nieuwkomers worden in Nederland toegelaten en welke niet? • Vanaf 1985 kunnen burgers uit de EU zich vrij vestigen/ voor mensen buiten de EU geldt een restrictief toelatingsbeleid • Bij de toelating houdt Nederland zich aan wetten en verdragen: • Uvrm/ niet discrimineren • Europees Verdrag voor de rechten van de mens/gezinshereniging • Vluchtelingen verdrag van Geneve/status van erkende vluchteling • Irakees gezin Somalisch gezin

  19. Redenen om naar Nederland te komen: politiek, economisch / gastarbeiders ( kom je niet uit EU land dan krijg je geen verblijfsvergunning behalve de bijzondere beroepen), gezinshereniging/gezinsvormers ( Nederlander wil trouwen met buitenlander) • Vluchteling= iemand met gegronde redenen om te vrezen voor vervolging........bepaalde sociale groep • Een asielzoeker moet in het eerste land waar hij/zij aankomt asiel aanvragen • Nedeland is verplicht asielzoekers op te nemen als ze onder de status van erkende vluchteling vallen • Sinds 2000 zijn de regels strenger geworden door de Vreemdelingenwet/ vluchteling moet aan eisen voldoen ( geldige identiteitspapieren, risico hebben om mishandeld te worden in eigen land, humanitaire redenen) • Proceduren: Aanmeld Centrum – AsielZoekersCenrum ( afwachten uitspraak) - uitzetcentrum

  20. Politieke visies: • Rechts= streng toelatingsbeleid, overtreders van de wet zou je het land uit moeten kunnen zetten (VVD, SGP, PVV en in grote lijnen ook CDA) • Links= toepassing van de regels maar niet ten koste van alles/ voor generaal pardon ( pvda , Gl, SP en CU) • Demografische overweging mensen wel toelaten ivm vergrijzing

  21. H7 Botsende culturen en grondrechten • Op drie manieren zou een land kunnen omgaan met andere etnische groepen: • Segregatie = opdelen van de samenleving in gescheiden delen/extreem voorbeeld de apartheid in Zuid Afrika/ geen Nederlands uitgangspunt/ soms komt het vrijwillig voor bv Amish in Amerika • Assimilatie = bevolkingsgroep past zich volledig aan een andere groep aan zodat de eigen culturele identiteit verdwijnt/ in sommige landen gebeurt dit onder dwang bv Iran en bv Hitler Duitsland/ geen uitangspunt van Nederland, wel is het ABN ingevoerd/ assimilatie kan ook op eigen initiatief plaatsvinden

  22. Integratie = gedeeltelijke aanpassing, met behoud van eigen cultuurkenmerken/ Nederland kent actief beleid en zelf wederzijdse aanpassing • Culturele tegenstellingen/ orthodoxe moslims nu/ vroeger orthodoxe christenen/bible belt/ geen dreiging / in beide gevallen gaat het om verschillen in waarden en normen • Veel problemen zijn op t lossen door naar de wet te kijken . Soms is het echter niet duideleijk waa de grenzen van de persoonlijke vrijheid liggen. • De grondrechten vrijheid van godsienst, meningsuiting en verbod op discriminatie kunnen nog wel eens botsen! • Hierover zijn discussies ( Pim Fortuyn afschaffing art 1)

  23. H8 Het belang van sociale cohesie • Hoe kunnen verschillende cultuurgroepen het beste met elkaar samenleven? • Individualisering en immigratie is toegenomen/ hierdoor hebben de socialiserende instituties minder invloed dan vroeger • Voor een samenleving is het belangrijk dat iedereen deel blijft uitmaken en er continuiteit is • Sociale cohesie = mensen hebben het gevoel bij elkaar te horen = wij gevoel

  24. Sociale cohesie is gebaseerd op bindingen : • Affectieve bindingen/vriendschap, liefde, familie, solidariteit • Economische bindingen/ arbeidsdeling, we zijn afhankelijk van elkaar, toename globalisering = negatief voor de cohesie in het eigen land en toename van migratiestromen = minder verbintenis met eigen land • Cognitieve bindingen/ om kennis te krijgen heb je andere mensen nodig, nieuwkomers doen inburgeringscursus , verbetering van de cohesie • Politieke bindingen/ men kan niet alles zelf regelen maar is afhankelijk van andere/ sociaal contract = stilzwijgend toestemmen in rechten en plichten die door politici worden opgelegd/ politieke participatie is belangrijk voor de cohesie ( hoe meer mensen hoe beter)