Download
de pensioenregeling voor werknemers n.
Skip this Video
Loading SlideShow in 5 Seconds..
De pensioenregeling voor werknemers PowerPoint Presentation
Download Presentation
De pensioenregeling voor werknemers

De pensioenregeling voor werknemers

350 Views Download Presentation
Download Presentation

De pensioenregeling voor werknemers

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - E N D - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Presentation Transcript

  1. De pensioenregeling voor werknemers

  2. Inhoud Pensioenpijlers Wettelijke pensioenstelsels Pensioenregeling voor werknemers (rustpensioen) • Pensioenleeftijd • Loopbaanbreuk • Het begrip ‘gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling’ • De berekening van het rustpensioen als werknemer • Gezin-alleenstaande • Lonen • Berekening van het fictief loon • Indeplaatsstelling • Het minimumjaarrecht • Herwaarderingscoëfficiënt • Beperking tot de eenheid van loopbaan • Gelijkgestelde perioden

  3. Inhoud • Toegelaten beroepsactiviteit • Feitelijke scheiding en echtscheiding • Netto pensioenbedrag • gewaarborgd minimumpensioen • Pensioenbonus Het overlevingspensioen in de regeling voor werknemers • Huidige bepalingen • Regeerakkoord Nuttige links

  4. Pensioenpijlers • Het wettelijk pensioenstelsel • Werknemers • Zelfstandigen • Openbare sector • Het bovenwettelijk pensioenstelsel (groepsverzekering) • Wet op de aanvullende pensioenen van 28/04/2003 (B.S. 15/05/2003) • Pensioensparen

  5. Wettelijke pensioenstelsels • Werknemerspensioenen • Rustpensioen • Overlevingspensioen • Rustpensioen als uit de echt gescheiden echtgenoot • Rustpensioen als feitelijk gescheiden echtgenoot • Bevoegdheid RVP: toekennen en uitbetalen • Zelfstandige pensioenen • Bevoegdheid RSVZ: toekennen • Bevoegdheid RVP: uitbetalen • Vanaf 1/01/2008: gezamenlijke kennisgeving door RVP (cfr. programmawet d.d.27/12/2006) • Pensioendienst voor de Overheidssector

  6. De pensioenregeling voor werknemers • Basis : • K.B. nr.50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers • K.B. van 23/12/1996 tot uitvoering van de artikelen 15, 16 en 17 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels • K.B. van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers • wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen • koninklijk besluit van 26 april 2012 tot uitvoering, inzake het pensioen van de werknemers, van de wet van 28 december 2011 • wet van 20 juli 2012 tot wijziging van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, wat betreft het pensioen van de werknemers en houdende nieuwe overgangsmaatregelen inzake het vervroegd rustpensioen voor werknemers • Koninklijk besluit van 20 september 2012 tot uitvoering van artikelen 116, tweede lid en 119, van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen, inzake het pensioen van het vliegend personeel van de burgerlijke luchtvaart • Koninklijk besluit van 24 september 2012 tot uitvoering van artikel 123 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen • Voor wie? • Werknemers verbonden door een arbeidsovereenkomst • Betaling sociale zekerheidsbijdragen • Arbeiders, bedienden • Preferentiële stelsels : • Mijnwerkers (ondergrond, bovengrond) • Zeevarenden • Beroepsjournalisten • Vliegend personeel van de burgerluchtvaart (cabinepersoneel, stuurpersoneel)

  7. Pensioenleeftijd • Ingangsdatum van het pensioen uiterlijk 1 december 2012 • Normale pensioenleeftijd • Werknemers : arbeiders en bedienden Mannen: 65 jaar Vrouwen: • 61 vanaf 1/7/1997 • 62 vanaf 1 januari 2000 • 63 vanaf 1 januari 2003 • 64 vanaf 1 januari 2006 • 65 vanaf 1 januari 2009

  8. Pensioenleeftijd • Vervroegde pensioenleeftijd • 60 jaar • Afhankelijk van een tewerkstelling gedurende voldoende loopbaanjaren. Ieder jaar moet overeenstemmen met minimum 1/3de van een voltijdse tewerkstelling. • 20 jaar tewerkstelling voor de pensioenen die ingaan vanaf 1 juli 1997 • 22 jaar vanaf 1 januari 1998 • 24 jaar vanaf 1 januari 1999 • 26 jaar vanaf 1 januari 2000 • 28 jaar vanaf 1 januari 2001 • 30 jaar vanaf 1 januari 2002 • 32 jaar vanaf 1 januari 2003 • 34 jaar vanaf 1 januari 2004 • 35 jaar vanaf 1 januari 2005 • Zelfstandige (2 kwartalen), openbare dienst, buitenland tellen mee • Regularisatie studieperiode in regeling werknemers telt niet mee • Perioden van kinderopvoeding: maximum drie jaar; nieuwe tewerkstelling voor het einde van het 5de kalenderjaar na onderbreking • Jaar waarin het pensioen ingaat kan worden meegeteld • Opmerking: voltijds conventioneel bruggepensioneerden kunnen niet vervroegd met pensioen.

  9. Pensioenleeftijd • Ingangsdatum van het pensioen vanaf 1 januari 2013 (wet houdende diverse bepalingen d.d. 28 december 2011) • Normale pensioenleeftijd • Werknemers: 65 jaar

  10. Pensioenleeftijd • vervroegde pensioenleeftijd • Werknemers (arbeiders, bedienden) • Voltijds conventioneel bruggepensioneerden kunnen niet vervroegd op pensioen gaan.

  11. Speciale overgangsmaatregelen

  12. Speciale overgangsmaatregelen Het behoud van de opening recht op een vervroegd rustpensioen voor • personen die op 31 december 2012 voldoen aan de oude leeftijds- en loopbaanvoorwaarden om een vervroegd pensioen te verkrijgen, zij behouden dat recht levenslang tegen de oude voorwaarden; Voorbeeld: een persoon geboren in mei 1952 (= volle 60 jaar op 1 juni 2012) met een loopbaan van net 35 jaar (met 1/3 intensiteit). Hij heeft opening recht in 2012, maar wenst te wachten tot 2013 of 2014…. Maar dan voldoet hij schijnbaar niet meer aan de voorwaarden. Daarom het principe van behoud. • personen die op een bepaald ogenblik na 2012 aan de nieuwe voorwaarden voldoen om een vervroegd pensioen te verkrijgen, zij behouden dat recht levenslang.

  13. Speciale overgangsmaatregelen • de eind 2012 “nabijzijnde pensioneringen” kunnen hun ingangsdatum wel zien opschuiven maar met niet meer dan 24 maanden. Reglementair omschreven: De persoon, die vóór 1 januari 1956 is geboren en op 31 december 2012 een loopbaan van ten minste 32 jaren bewijst, kan, op zijn aanvraag, zijn vervroegd pensioen opnemen ten vroegste op de eerste dag van de maand volgend op deze tijdens dewelke hij de leeftijd van 62 jaar bereikt voor zover hij een loopbaan van ten minste 37 jaren bewijst.

  14. Speciale overgangsmaatregelen

  15. Speciale overgangsmaatregelen • Voorbeeld • Geboren in 1951 (61 jaar in 2012) • 34 jaar loopbaan • 35 jaar loopbaan in 2013; op dat ogenblik is de loopbaanvoorwaarde voor vervroegd pensioen 38 jaar • 38 jaar loopbaan in 2016 maar wordt dan 65 jaar • Vervroegde pensioenleeftijd was volgens de oude reglementering 62 jaar. Er was immers 35 jaar loopbaan in 2013. • Nu is vervroegde pensioenleeftijd 64 jaar (+ maximum 2 jaar)

  16. Loopbaan die telt voor de loopbaanvoorwaarde vervroegd pensioen (vanaf 1/01/2013) • Werknemers: • zie bestaande regeling

  17. Het begrip ‘Gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling’ • De tewerkstelling als werknemer die per kalenderjaar overeenkomt met minstens 1/3de van de prestaties van de ‘maatpersoon’.In principe: 104 voltijdse dagequivalenten • Voor de jaren gelegen vóór 1955: 185 dagen van 4 uren per dag of 1480 uren per kalenderjaar.

  18. De berekening van het rustpensioen als werknemer • Gezinspensioen: jaarlijkse brutolonen (werkelijke, fictieve, forfaitaire) x herwaarderingscoëfficiënt x 75 % :noemer loopbaanbreuk • Alleenstaande: jaarlijkse brutolonen (werkelijke, fictieve, forfaitaire) x herwaarderingscoëfficiënt x 60 % :noemer loopbaanbreuk • toelichting via ‘maximumpensioenberekening voor een bediende’

  19. Gezin-alleenstaande • Gezin: 75% van de geherwaardeerde lonen • Voorwaarden: • gehuwd • Echtgenote geniet geen persoonlijk pensioen of sociale uitkeringen of oefent geen niet-toegelaten activiteit uit • Alleenstaande: 60% van de geherwaardeerde lonen • Voorwaarden: • niet gehuwd of feitelijk gescheiden • Echtgenoot geniet sociale uitkeringen, eigen pensioen of oefent een niet-toegelaten activiteit uit • Bepaling voordeligste toestand (van ambtswege) • Bijzondere situatie: pensioen echtgenoot andere regeling (kleiner dan het verschil tussen 75% en 60%) waaraan niet kan worden verzaakt wordt afgetrokken van het gezinspensioen werknemer van de echtgenoot

  20. Lonen • Werkelijke brutolonen (cfr. individuele pensioenrekening) • Forfaitaire lonen: • Vóór 1955: gewoonlijke en hoofdzakelijke tewerkstelling – forfaitair jaarloon: 13 412,77 euro (index 130,80) • Vóór 1956: zeevarenden • Vóór 1964: burgerluchtvaart • Vóór 1968: mijnwerkers • Fictieve lonen • Voor 1955, 1956 en 1957: fictief dagloon bedienden (4 uur per dag)

  21. loonplafonds • Bedienden 1958-1972: beperking totbijdrageplafond + 10% • Bedienden 1973-1980: beperking tot bijdrageplafond • Vanaf 1/01/1981 beperking tot berekeningsplafond voor alle werknemers

  22. Fictief loon voor gelijkgestelde perioden • Vóór 1968: wettelijk vastgesteld • Na 1967: op basis van het gemiddelde dagloon van het voorgaande kalenderjaar of bij ontstentenis het lopende jaar, of nog, bij ontstentenis hiervan het dagelijks gemiddelde van de lonen met betrekking tot het eerste jaar dat volgt op de periode van inactiviteit en waarin arbeidsprestaties als werknemer werden verricht. Zo alle voormelde refertegegevens ontbreken wordt het fictief loon voor het jaar 1967 als dagelijks gemiddelde voor de vaststelling van het fictief loon van het beschouwde jaar in aanmerking genomen.

  23. Fictief loon voor gelijkgestelde perioden • Voorbeeld

  24. Vervanging werkelijk loon door fictief loon Principe:het werkelijk verdiende brutoloon wordt vervangen door het fictief loon Voor wie? • Gerechtigden op een tegemoetkoming als mindervalide gedurende minstens 185 dagen per kalenderjaar • Slachtoffers van een arbeidsongeval of een beroepsziekte met een arbeidsongeschiktheid van minstens 30 % • Genot van ziekte- of invaliditeitsuitkering en uitoefening van een activiteit met toelating van de adviserend geneesheer • Uitoefening van een toegelaten activiteit in het kader van de werkloosheidsreglementering • Vergoeding van het Fonds voor sluiting van de ondernemingen

  25. Speciale maatregelen voor 50+ • Indeplaatsstelling: vervanging werkelijk loon door fictief loon • vanaf 1 juli 2000: • periode van voltijdse of deeltijdse tewerkstelling na werkloosheid of na ziekte of invaliditeit • of deeltijdse tewerkstelling met behoud van rechten • of van een voltijdse naar een deeltijdse tewerkstelling overgegaan ingevolge een door de minister van tewerkstelling en arbeid goedgekeurd herstructureringsplan of in het kader van een bedrijfsplan tot herverdeling van de arbeid • vanaf 1 januari 2004: • werknemers die ontslagen worden en onmiddellijk nadien een voltijdse of deeltijdse job beginnen die ten minste het equivalent is van hun vorige tewerkstelling en waarvan het loon lager is dan het loon van hun vorige tewerkstelling • Bijkomende voorwaarden : 50 jaar oud op het ogenblik dat de nieuwe tewerkstelling aanvangt + bewijs van tewerkstelling gedurende 20 jaar als werknemer, waarbij ieder jaar overeenstemt met minimum 1/3de van een voltijdse tewerkstelling

  26. Speciale maatregelen 50+ • Voor pensioenen die ingaan ten vroegste op 1 januari 2005: periode van gelijkstelling volgend op zelfstandige activiteit van maximum 9 jaarvoorwaarden: • minimum 50 jaar oud bij begin zelfstandige activiteit • de activiteit als zelfstandige bedraagt maximum 9 jaar • minimum 20 jaar tewerkstelling van minstens 1/3de als werknemer op het ogenblik dat de activiteit als zelfstandige aanvangt • werkloosheidsperiode volgend op zelfstandige activiteit sluit direct aan bij de zelfstandige activiteit • fictief loon van het kalenderjaar waarin de werkloosheid eindigde (vóór de activiteit als zelfstandige) wordt als basis genomen in plaats van het fictief loon van het jaar 1967

  27. Het minimum jaarrecht Principe: • Indien het loon van een loopbaanjaar lager is dan het gewaarborgd jaarinkomen (€ 21 326,67) dan wordt het pensioen voor het betrokken loopbaanjaar, berekend op dit bedrag. Voorwaarden: • Een tewerkstelling als werknemer gedurende ten minste 15jaar(na eventuele toepassing artikel 10bis). • Ieder jaar stemt overeen met minstens 1/3de van een voltijdse tewerkstelling. • Minimumloon wordt geproratiseerd • Het pensioenbedrag mag evenwel niet hoger liggen dan € 17.515,43 (gezin) of € 14 012,34 (alleenstaande) tegen index 133,42

  28. De herwaarderingscoëfficiënt • Aanpassing aan de stijging van het indexcijfer der consumptieprijzen

  29. Beperking tot de eenheid van loopbaan • Interne beperking tot de eenheid van loopbaan: de minst voordelige jaren worden verwijderd • Externe beperking tot de eenheid (artikel 10bis KB nr. 50): • Algemene regel: som van de loopbaanbreuken van de verschillende pensioenstelsels (uitgezonderd zelfstandigen) beperkt tot de eenheid • Versoepeling van de algemene regel: • Omgerekend bedrag < forfaitair bedrag: geen toepassing artikel 10 bis • Omgerekend bedrag > forfaitair bedrag:beperking verminderde jaren tot maximum:omgerekend bedrag – forfaitair bedrag 10% van het forfaitair bedrag • Maximum 15 jaar

  30. Het regeerakkoord en de beperking tot de eenheid van loopbaan “Het beginsel van eenheid van loopbaan zal in alle stelsels geleidelijk aan worden afgeschaft: de gewerkte jaren na 45 loopbaanjaren zullen recht geven op een verhoogd pensioen, voor zover ze niet meer dan dertig gelijkgestelde dagen per loopbaanjaar bevatten. “

  31. gelijkgestelde periodenonvrijwillige werkloosheid • Huidige toestand • Voorwaarde: genot van werkloosheidsuitkeringen • Er wordt een fictief loon aan toegewezen dat normaal gebaseerd is op het gemiddeld dagloon van het vorig jaar (van het totaal loon van het vorig jaar, en met een aanpassing aan de index-evolutie). • Wet van 28 december 2011 (artikel 122) Vanaf ingangen 2013 (voor RPW en “OPW niet gebaseerd op een reeds ingegaan RPW”) zou voor de periode van onvrijwillige werkloosheid van de derde periode en gelegen na 2011 een andere regeling gelden, maar die regeling moet nog worden bepaald in een , in de ministerraad overlegd, koninklijk besluit. De werkloosheid van de derde periode zou conform het regeerakkoord worden gevaloriseerd op basis van het minimumrecht per loopbaanjaar (21 326,67 euro per jaar)

  32. gelijkgestelde periodenonvrijwillige werkloosheid • Artikel 123 van de wet van 28 december 2011 bepaalt dat bij koninklijk besluit een definiëring van de volgende begrippen moet gebeuren: • werkloosheid van de derde periode; • gemotiveerd tijdskrediet; • thematische verloven; • halftijds of 1/5 tijdskrediet voorbehouden aan de werknemers van 50 jaar of ouder • Dit gebeurt in het koninklijk besluit van 24 september 2012

  33. Thematische verloven • Palliatief verlof, verlof voor bijstand of verzorging van een ziek familielid, ouderschapsverlof • Regeerakkoord blz. 104: ontsnapt aan het maximum van slechts één jaar valorisatie • Wet van 28.12.2011 • art. 122: geen bijzondere machtiging Koning • art. 123: wel machtiging tot definiëring (verwijzen naar bestaande KB’s) – zie koninklijk besluit van 24 september 2012 • behoud bestaande regels: • onbeperkte gelijkstelling (wel omrekening naar voltijdse dagequivalenten), op voorwaarde dat er onderbrekingsuitkeringen werden genoten en dat de periode van onderbreking niet in aanmerking komt voor een pensioentoekenning in een andere pensioenregeling. • Pensioenberekening op basis van fictief loon

  34. Brugpensioen • Huidige toestand • perioden van conventioneel brugpensioen zijn gelijkgesteld op voorwaarde dat een werkloosheidsuitkering werd genoten. • er wordt een fictief loon aan toegewezen zoals bij werkloosheid • Nieuwe regeling (wet 28/12/2011 artikel 122 gewijzigd door de wet van 20/07/2012): werkloosheid met bedrijfstoeslag Vanaf ingangen 2013 wordt voor de periode van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag (SWT) gelegen vóór de leeftijd van 60 jaar en na 2011 het fictief loon beperkt tot het loon dat hoort bij het minimum recht. Er worden uitzonderingen voorzien: zie hoofdstuk 4 van de wet van 20 juli 2012

  35. Brugpensioen Bovendien geldt die nieuwe regel van beperking van het fictief loon niet • voor de personen die voor 28 november 2011 ontslagen of in opzegging geplaatst werden met het oog op het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag • voor de personen die zich op 28 november 2011 in een periode bevonden van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag

  36. Tijdskrediet (privé-sector) • Algemeen stelsel - zonder motief

  37. Tijdskrediet (privé-sector) • Algemeen stelsel - met motief ‘zorg en opleiding’ • om zorg te dragen voor zijn kind tot de leeftijd van 8 jaar • om palliatieve zorgen toe te dienen • om een zwaar ziek gezins- of familielid bij te staan of te verzorgen • om een opleiding te volgen

  38. Tijdskrediet (privé-sector) • Met motief ‘zorg en opleiding’

  39. Tijdskrediet (privé-sector)) • Algemeen stelsel - met motief ‘ziek kind’ • om zorg te dragen voor zijn gehandicapt kind tot 21 jaar;; • om zijn zwaar ziek minderjarig kind of een zwaar ziek minderjarig kind dat deel uitmaakt van het gezin bij te staan of te verzorgen.

  40. Tijdskrediet (privé-sector) • Met motief ‘ziek kind’

  41. Tijdskrediet (privé-sector)) • Stelsel eindeloopbaan

  42. Tijdskrediet (privé-sector) • Gelijkstelling algemeen stelsel • Nu: op voorwaarde dat er onderbrekingsuitkeringen zijn, wordt de gelijkstelling verleend gedurende 36 kalendermaanden (60 kalendermaanden voor 1/5de vermindering). Na de beperking is er een omrekening van de periode naar gelijkgestelde voltijdse dagequivalenten (bijv. 312 dagen met 1/5 vermindering = 62 VTE’s). • Op “tijdskrediet oud algemeen stelsel” wordt de oude gelijkstellingsreglementering toegepast zelfs al gaat om perioden die na 2011 liggen. Nieuwe regeling van toepassing op tijdskrediet nieuw algemeen stelsel (nog geen KB, maar het gaat in volgende richting):

  43. Gelijkstelling tijdskrediet algemeenstelsel Normale fictieve beloning van de gelijkgestelde dagen

  44. Gelijkstelling gemotiveerd tijdskrediet • Er is nog geen KB, maar het volgende is quasi zeker. • Er is gelijkstelling voor alle perioden met onderbrekingsuitkeringen. • Er is een normale fictieve beloning voor alle gelijkgestelde dagen

  45. Tijdskrediet (privé-sector) • Gelijkstelling tijdskrediet eindeloopbaan • Huidige regeling Er moeten uitkeringen zijn. Er is geen beperking. Er is een omrekening van de periode naar gelijkgestelde voltijdse dagequivalenten. • Nieuwe regeling (er is nog geen KB, maar het neigt naar het volgende) • Op de lopende gevallen onder de oude RVA-reglementering worden de oude gelijkstellingsbepalingen toegepast. • Op de nieuwe gevallen, d.w.z. onder de nieuwe RVA-reglementering, geldt ook de voorwaarde van genot van onderbrekingsuitkeringen. Maar er zijn bijzondere regels die het nemen van eindeloopbaan-tijdskrediet vóór de leeftijd van 60 ontmoedigen.

  46. Tijdskrediet (privé-sector) • Gelijkstelling tijdskrediet eindeloopbaan • Nieuwe regeling voor tijdskrediet eindeloopbaan nieuwe RVA-reglementering • De perioden van inactiviteit in periodes van uitoefening van het recht ”tijdskrediet einde loopbaan” voor werknemers in ondernemingen in herstructurering of in moeilijkheden worden zonder beperking gelijkgesteld. Er is een normale fictieve beloning. • De andere perioden “nieuw tijdskrediet einde loopbaan” worden onbeperkt gelijkgesteld. Maar: • Voor een aantal maanden van uitoefening van het recht gelijk aan het nog beschikbare aantal maanden waarvoor gelijkstelling in het algemeen stelsel tijdskrediet (zonder kinderopvoeding) mogelijk is (= de nog beschikbare voorraad normaal tijdskrediet), is er voor de gelijkgestelde dagen een normale fictieve beloning. Dat aantal nog beschikbare maanden, uitgedrukt in de 12-maanden optiek, wordt vermenigvuldigd met 5 als er 1/5 loopbaanvermindering wordt genomen.

  47. Tijdskrediet (privé-sector) • Gelijkstelling tijdskrediet eindeloopbaan: nieuwe RVA-reglementering • Voor de dagen in de overblijvende maanden “tijdskrediet einde loopbaan” vóór de volle leeftijd van 60 jaar is er een begrensde fictieve beloning. • Voor de dagen in de overblijvende maanden “tijdskrediet einde loopbaan” vanaf de volle leeftijd van 60 jaar: • Perioden van vermindering van de arbeidsprestaties: slechts 312 VTE’s, dus gedurende 24 maanden (van 100 naar 50%) of 32 (?) maanden (van +75% naar 50%) van uitoefening van het recht normale fictieve beloning, daarna begrensde fictieve beloning. • Perioden van 1/5 loopbaanvermindering: 312 VTE’s (dus gedurende 60 maanden van uitoefening van het recht): normale fictieve beloning • Er is nog geen KB, maar dit is de basis van de ontwerpen en is in overeenstemming met de resultaten van het sociaal overleg

  48. Loopbaanonderbreking (contractuele en statutaire personeelsleden openbare sector)

  49. loopbaanonderbreking • Regeerakkoord • In 2012 zullen de voltijdse en de halftijdse loopbaanonderbreking, tot maximum 60 maanden worden beperkt. • Na deze eerste fase zal het loopbaanonderbrekingsstelsel geleidelijk met dat van het tijdskrediet worden gelijkgeschakeld. Deze gelijkschakeling moet in 2020 rond zijn. Deze wijzigingen zullen met de deelstaten worden overlegd, rekening houdend met de overdracht van deze bevoegdheid in het kader van de 6e staatshervorming. • De Europese richtlijn over het ouderschapsverlof zal worden omgezet. • Parallel hiermee zal de regering, in overleg met de sociale partners, nagaan hoe op termijn de stelsels van tijdskrediet, loopbaanonderbreking en de andere thematische verlofregelingen in een individuele loopbaanrekening kunnen worden geïntegreerd.

  50. loopbaanonderbreking • Huidige gelijkstelling