1 / 6

2 havo vwo

2 havo vwo. Grammaire chapitre 3. Pouvoir (kunnen) Vouloir (willen). Leer deze werkwoorden in de présent, imparfait en passé composé. Gebruik le conjugueur op de website van je docent. Le futur proche (de nabije toekomst).

Download Presentation

2 havo vwo

An Image/Link below is provided (as is) to download presentation Download Policy: Content on the Website is provided to you AS IS for your information and personal use and may not be sold / licensed / shared on other websites without getting consent from its author. Content is provided to you AS IS for your information and personal use only. Download presentation by click this link. While downloading, if for some reason you are not able to download a presentation, the publisher may have deleted the file from their server. During download, if you can't get a presentation, the file might be deleted by the publisher.

E N D

Presentation Transcript


  1. 2 havo vwo Grammairechapitre 3

  2. Pouvoir (kunnen)Vouloir (willen) • Leer deze werkwoorden in de présent, imparfait en passé composé. • Gebruik le conjugueur op de website van je docent.

  3. Le futur proche (de nabije toekomst) • Wordt gebruikt als je wilt aangeven of je iets zometeen of binnenkort gaat doen. • Je gebruikt daarvoor aller+ infinitief (hele werkwoord) • Exemple: je vais nager- nous allons travailler ik ga zwemmen- wij gaan werken • Dat betekent dat jij het ww. aller in le présent uit je hoofd moet leren.

  4. Kijk hieronder Nederlands Frans • Ik ga morgen zwemmen. • Caroline gaat naar Japan reizen • Mijn ouders gaan volgende week in een Frans restaurant eten. • Wat valt je op? • Demain, je vais nager. • Caroline va voyager au Japon. • La semaine prochaine, mes parents vont manger dans un restaurant français.

  5. Een vraagzin maken • In het Frans maak je de zin op 3 manieren vragend: • Je zet een vraagteken achter de zin: tuviensdemain? • Je zet Est-ceque/qu’ voor de zin Est-cequetuviensdemain? • Je zet het onderwerp achter de persoonsvorm: viens-tudemain? Let op! Dit kan alleen als het onderwerp een pers.vnw. is. Caro va nagerVa-t-ellenager?

  6. Let op! • Als twee klinkers naast elkaar staan wordt voor de uitspraak een t tussen het onderwerp en de pers. vorm gezet. • Il parle de ses parents • Parle-t-il de ses parents?

More Related