1 / 40

College 7 Afsluiting: oefenen met tentamenvragen

College 7 Afsluiting: oefenen met tentamenvragen. TENTAMEN: 23 januari 2004, 13.30 - 15.00u (29 maart middag). Inschrijven kan vanaf nu tot 8 januari!. Tentamenstof Boek (Brehm, Kassin & Fein: Social Psychology) : Alles ! (maar minder vragen over law & health)

rae
Download Presentation

College 7 Afsluiting: oefenen met tentamenvragen

An Image/Link below is provided (as is) to download presentation Download Policy: Content on the Website is provided to you AS IS for your information and personal use and may not be sold / licensed / shared on other websites without getting consent from its author. Content is provided to you AS IS for your information and personal use only. Download presentation by click this link. While downloading, if for some reason you are not able to download a presentation, the publisher may have deleted the file from their server. During download, if you can't get a presentation, the file might be deleted by the publisher.

E N D

Presentation Transcript


  1. College 7 Afsluiting: oefenen met tentamenvragen

  2. TENTAMEN: 23 januari2004, 13.30 - 15.00u (29 maart middag) Inschrijven kan vanaf nu tot 8 januari! • Tentamenstof • Boek (Brehm, Kassin & Fein: Social Psychology): • Alles! (maar minder vragen over law&health) • Collegestof (sheets & filmpjes) • Tentamenvragen: 35 mc + 4 open vragen

  3. Klaar voor de test???

  4. VRAAG 1 • Je zus komt thuis met de mededeling dat zij gezakt is voor haar rij-examen. Je maakt je schuldig aan de fundamentele attributiefout door te concluderen dat: • a. ze niet handig genoeg is om te leren autorijden • b. ze pech heeft gehad • c. ze een strenge examinator heeft gehad • d. het tijdstip van het examen van invloed moet zijn geweest

  5. VRAAG 2 • Een kleine beloning heeft meer effect op attitude-verandering daneen grote, is een voorspelling welke gedaan wordt op grond van: • a. de sociale leertheorie • b. de cognitieve dissonantietheorie • c. de social exchange- theorie • d. de sociale vergelijkingstheorie

  6. VRAAG 3 In het lijnstukken-experiment van Asch conformeerden de deelnemers vanwege de _________ invloed van de groep, in het autokinetisch effect-experiment van Sherif conformeerden de deelnemers vanwege de _________ invloed van de groep. a. informatieve; normatieve b. normatieve; informatieve c. primaire; secundaire d. secundaire; primaire

  7. VRAAG 4 Lies had helemaal geen zin om te luisteren naar het verhaal van de verkoper over de CD-speler die hij wilde aanbevelen, maar omdat het een gerenomeerd merk was nam ze aan dat het wel in orde was. Lies maakte gebruik van… a. heuristieke verwerking b. systematische verwerking c. elaboratieve verwerking d. involvering

  8. VRAAG 5 • In experimenteel onderzoek is een afhankelijke variabele een variabele die: • a. gemeten wordt door de proefpersonen • b. gemanipuleerd wordt door de onderzoeker • c. gemeten wordt door de onderzoeker • d. gemanipuleerd wordt door de proefpersonen

  9. VRAAG 6 Volgens de sociale vergelijkingstheorie zijn mensen het meest geneigdzich te vergelijken met anderen die: a. populair zijn b. eenzaam zijn c. vriendelijk zijn d. vergelijkbaar zijn

  10. VRAAG 7 • Drie muziekanten (een cellist, een pianist en een vioolspeler) voeren een muziekstuk op. Wat voor soort taak is dit? • a. compensatorische taak • b. additieve taak • c. conjunctieve taak • d. disjunctieve taak

  11. VRAAG 8 • Gert gaat ervan uit dat alle Fransen van kaas houden. Dit is een voorbeeld van: • a. een stereotype • b. een vooroordeel • c. een sociale norm • d. discriminatie

  12. VRAAG 9 • Het belangrijkste verschil tussen de sociale psychologie en de sociologie is: • a. dat de twee disciplines zich ieder richten op andere populaties • b. dat de ene discipline veel meer variabelen bestudeert dan de andere • c. de ene discipline m.n. gericht is op het individu, de andere discipline • m.n. op groepen • d. geen van bovenstaande

  13. VRAAG 10 • Wanneer het Nederlands elftal tijdens het WK of EK een aantal wedstrijden heeft gewonnen, valt al snel op dat Tom Egberts het over “we” heeft i.p.v. “de spelers van het Nederlands elftal”. Dit fenomeen illustreert: • a. CORF’ing • b. BIRG’ing • c. strategische zelfpresentatie • d. self-serving bias

  14. VRAAG 11 • Wanneer er sprake is van social facilitation presteren mensen in de aanwezigheid van anderen ___________ op eenvoudige taken en _______________ op moeilijke, complexe taken • a. beter; slechter • b. slechter; beter • c. beter; beter • d. slechter; slechter

  15. VRAAG 12 • Volgens de evolutionaire psychologie komt agressie vooral voort uit: • a. bepaalde hersenstructuren en hormonen (o.a. • testosteron) • b. de combinatie tussen aangeboren en • aangeleerde factoren • c. de behoefte aan het in zekerheid stellen van • de overleving van de eigen genen • d. de effecten van bepaalde sociale en • biologische stimuli zoals warmte, pijn, en • lawaai

  16. VRAAG 13 • De theorie die stelt dat mensen het meest tevreden zijn met hun relatie indien de kosten/baten-ratio voor beide partners gelijk is, heet de • a. attributie theorie • b. equity theory • c. social exchange theory • d. triangular theory

  17. VRAAG 14 • Vrouwen die met een man naar een beangstigende griezelfilm gaan, blijken de man na afloop aantrekkelijker te vinden dan vrouwen die met een man naar een romantisch drama gaan. Volgens Schachter’s emotie-theorie kan dit worden verklaard door: • a. de evolutionair verklaarbare behoefte aan bescher- ming in angstaanjagende situaties • b. de sterke emotionele ‘arousal’ tijdens de griezelfilm • c. het negatieve affect dat door het drama wordt opgeroepen • d. het contrast tussen de romantiek in het drama en de werkelijkheid

  18. VRAAG 15 • Welk van onderstaande past het best in Daryl Bem’s zelf-perceptietheorie? • a. mensen passen hun attitudes aan aan hun gedrag, om de negatieve • arousal te verminderen en hun gedrag te rechtvaardigen • b. mensen nemen hun eigen gedrag altijd waar op een zelf- • beschermende en ‘self-serving’ manier • c. mensen trekken conclusies over hun attitudes en gevoelens door • hun eigen gedrag te observeren en attribueren • d. mensen interpreteren hun eigen gedrag door te kijken naar de • reacties van anderen op dit gedrag

  19. VRAAG 16 • In correlationeel onderzoek kan specifiek… • a. de sterkte van de samenhang tussen twee of meer variabelen worden vastgesteld • b. de oorzakelijke samenhang tussen twee of meer variabelen worden vastgesteld • c. a noch b • d. a en b

  20. VRAAG 17 • Perifere verwerking van (reclame) boodschappen heeft in vergelijking met centrale verwerking: • a. een groter lange-termijn effect op attitudes • b. een kleiner lange-termijn effect op attitudes • c. een groter effect op de involvering van de ontvanger • d. een groter effect op de sterkte van de argumenten

  21. VRAAG 18 • Welk van onderstaande onderzoeken is het minst sociaal psychologisch? • het effect van slaap op oncentratievermogen • het effect van temperatuur op straatrellen • het effect van politieke attitudes op vriendschapsvorming • het effect van herinneringen van belangrijke anderen op het eigen geluk

  22. VRAAG 19 Onder het “overjustification effect” wordt verstaan: a. dat mensen de invloed van de situatie op het gedrag van anderenonderschatten b. dat als mensen worden betaald voor iets dat ze al leuk vonden om te doen, zij de activiteit minder leuk gaan vinden c. dat mensen het zichzelf extra moeilijk maken zodat je bij falen de omstandigheden de schuld kan geven d. dat iemand meer krijgt dan hij/zij verdient

  23. VRAAG 20 Je ziet een man lachen nadat hem een mop wordt verteld. Om vat te krijgen op de situatie stel je jezelf de volgende vraag: "lachen de andere mensen ook om de mop?". Volgens Kelley's attributietheorie probeer je met deze vraag inzicht te krijgen over: a. consensus b. distinctiviteit c. consistentie d. succes en falen

  24. VRAAG 21 • Kelley's attributietheorie stelt dat bij hoge distinctiviteit ____________ attributies worden gemaakt; bij hoge consensus worden ____________attributies gemaakt. • interne, externe • externe, interne • interne, interne • externe, externe

  25. VRAAG 22 • Als Anton terugkijkt op zijn mislukte liefde, herinnerthij zich dat er al veel ‘tekenen aan de wand’ waren terwijl de relatie nog in stand was. Dit scenario is het meest consistent met: • een geanticipeerd excuus • het cocktail party fenomeen • neerwaartse vergelijking • de ‘hindsight’-bias

  26. VRAAG 23 • Milgram’s experiment, waarin elektrische schokken werden toegediend door leraren, liet zien dat veel van de mensen _________ zijn • sadistisch • opstandig • seksistisch • gehoorzaam

  27. VRAAG 24 • Er is veel gediscussieerd over de vraag of mensen een ander helpen vanwege altruïstische motieven of egoïstische motieven. Hoe kunnen onderzoekers die twee motieven uit elkaar halen? Als het echt altruïsme is, dan helpt men… • óók personen die zelf verantwoordelijk zijn voor hun situatie, bijvoorbeeld iemand die dronken is en valt • óók als er hoge kosten zijn verbonden aan het bieden van hulp • óók als er veel omstanders (bystanders) zijn • óók als men de situatie makkelijk zou kunnen ontvluchten

  28. Scoring 10- (aantal fout/ 1.8) Bij 8 of minder fouten: GEFELICITEERD!!

  29. Verklaar de “foot-in-the-door” compliance-techniek, met behulp van de zelf-perceptietheorie

  30. Pim Fortuyn zei dat artikel 1 van de grondwet (verbod op discriminatie) moet worden afgeschaft. Beargumenteer aan de hand van de drie criteria van Jones and Davis Correspondent Inference Theory in hoeverre dit gedrag ons iets zegt over de actor (Pim Fortuyn).

  31. Leg aan de hand van een voorbeeld uit wat self-handicapping is. Waarom doen mensen dat? (zich zelf ‘handicappen’)?

  32. Als je om je heen aan mensen vraagt naar hun mening over condoomgebruik, zullen de meeste mensen van mening zijn dat het “goed” is om condooms te gebruiken. Hun attitude is positief. Toch laten veel mensen het in de praktijk na om consequent condooms te gebruiken. Welke factoren spelen, volgens Fishbein en Ajzen’s “Theory of Planned behavior”, naast attitude, een rol bij het wel of niet (gaan) vertonen van een bepaald gedrag (in dit geval het gebruiken van condooms).

  33. Volgens het Elaboration Likelihood model zijn er twee manieren (routes) waarop een persuasieve boodschap kan leiden tot attitudeverandering. Welke? Welke twee factoren bepalen op welke manier (via welke route) de boodschap verwerkt zal worden?

  34. Festinger’s sociale vergelijkingstheorie gaat ervan uit dat we een beeld krijgen van onszelf door ons te vergelijken met anderen. Wanneer maken we vooral gebruik van opwaartse vergelijking, en wanneer van neerwaartse vergelijking?

  35. Onderschat het tentamen niet!! Let bij het leren vooral op…. Key Terms Samenvattingen per hoofdstuk (Review) Sheets Leerdoelen/ studievragen (website) Leerdoelen/ studievragen (website)

  36. Voor tijdens het MC tentamen…. Lees GOED Vul ALTIJD een antwoord in! Vul NOOIT meer dan 1 antwoord in!

  37. Fijne feestdagen en een héél gelukkig… 2004 gewenst! TOT SLOT Veel succes bij het tentamen!

  38. Tanja hoopte vurig dat Jochem Uytdehaage, die ooit op dezelfde middelbare school zat als zij nu, sportman van het jaar zou worden... • Verklaar dit verlangen van Tanja met één van onderstaande theorieen: • sociale identiteitstheorie • realistisch conflicttheorie • sociale vergelijkingstheorie

  39. Annie gaat trouwen. Op zoek naar een trouwjurk stuit zij op het volgende dilemma: Ze heeft een prachtig rode jurk gezien, maar die is wel erg duur! Ze heeft een iets minder mooie witte jurk gezien, maar die is aanzienlijk goedkoper! Na zeer lang twijfelen besluit de witte jurk te kopen! Ze ervaart nu dissonantie, immers: ze heeft gekozen voor een witte jurk, terwijl ze de rode mooier vond… Hoe kan zij deze dissonantie reduceren? Geef minimaal 2 verschillende manieren.

More Related