1 / 15

FOTOGRAFIE les 7

FOTOGRAFIE les 7. Huiswerkopdracht Gebruik van Flits Algemeen Externe flits DOEN: opdracht spelen met licht, avond fotografie Raw bestanden/beeldkwaliteit Stops Doen: foto bespreken histogram Foto album Vervolg cursus beeldbewerking. Gebruik flitser P S A M.

clara
Download Presentation

FOTOGRAFIE les 7

An Image/Link below is provided (as is) to download presentation Download Policy: Content on the Website is provided to you AS IS for your information and personal use and may not be sold / licensed / shared on other websites without getting consent from its author. Content is provided to you AS IS for your information and personal use only. Download presentation by click this link. While downloading, if for some reason you are not able to download a presentation, the publisher may have deleted the file from their server. During download, if you can't get a presentation, the file might be deleted by the publisher.

E N D

Presentation Transcript


  1. FOTOGRAFIE les 7 Huiswerkopdracht Gebruik van Flits Algemeen Externe flits DOEN: opdracht spelen met licht, avond fotografie Raw bestanden/beeldkwaliteit Stops Doen: foto bespreken histogram Foto album Vervolg cursus beeldbewerking

  2. Gebruik flitser P S A M • Kijk naar de instellingen op je camera

  3. Wanneer gebruik je flits Het gebruik van een flitser is noodzakelijk als het bestaande licht niet afdoende is om een foto goed te belichten. Een opzetflitser biedt veel mogelijkheden om een foto optimaal te belichten. Tip: gebruik zoveel mogelijk natuurlijk licht. Zoek de lichtbronnen

  4. Direct / indirect flitsen Bij indirect flitsen krijg je een zachtere schaduwwerking als bij heel erg direct flitsen. Direct flitsen heeft ook tot gevolg, dat wanneer er zich een oppervlak achter het gefotografeerde object staat, deze een harde schaduw aan één zijde om zich heen krijgt. Het indirect flitsen word ook wel bounchen genoemd.

  5. inflitsen Wanneer kun je de flits als invulflits gebruiken? Overdag met tegenlicht of zijlicht, of in donkere omgevingen waarin je de flits niet direct naar voren wilt laten komen, maar subtiel wilt gebruiken zodat de onderwerpen in de sfeer blijven bestaan. Vooral handig bij portretfoto’s om te zorgen dat er geen donkere plekken op het gezicht ontstaan. Dit betekent dus dat je portretfoto’s overdag in kunt flitsen zodat er een egale verdeling van licht ontstaat op de foto.

  6. Synchronisatie op het tweede gordijnnormaal flits de flitser wanneer de sluiter wordt geopend (eerste gordijn). Bij synchronisatie op het tweede gordijn flitst de flitser net voordat de sluiter wordt gesloten, zodat de achter bewegende onderwerpen het effect van een stroom licht wordt gecreëerd.

  7. Bulb-standWerken met extra lange sluitertijden

  8. Met de Bulb-stand kan je ook 'schrijven met licht'. Dat is veel meer spelen dan fotograferen. Je zet de sluiter open en tekent dan binnen het kader van het beeld met een zaklamp allerlei figuren in de lucht.

  9. Opdracht spelen met licht • Zoek de bulb stand voor extra lange sluitertijd • Lage iso waarde • Speel met lichtbronnen, lampje van fiets , rijdende auto, lantaarn paal

  10. RAW/ JPEG Nadelen: Grote bestanden Speciaal programma Optimaal gebruik : bewerking Voordelen: Corrigeren (aanpassen witbalans) Meer kleurinformatie

  11. Stops Een stop is een halvering of verdubbeling van het licht wat de sensor bereikt. Snelle sluitertijd --------------------- Lange sluitertijd 1/8000 - 1/4000 - 1/2000 - 1/1000 - 1/500 - 1/250 - 1/125 - 1/60 - 1/30 - 1/15 - 1/8 - ¼ - ½ - 1seconde - 2 - 4 - 8 - 15 - 30 Ieder stapje tussen twee tijden is één stop. Maar van 1/250 seconde naar 1/8 seconde heeft 5 stapjes en dat is dus vijf stops. Open diafragma -----------------------------Gesloten diafragma f/1.0 - f/1.4 - f/2.0 - f/2.8 - f/4.0 - f/5.6 - f/8.0 - f/11 - f/16 - f/22 - f/32 Ook hier is ieder stapje iedere keer een stop. Van f/5.6 naar f/8.0 is één stop donkerder, want we maken het gaatje van het diafragma immers kleiner. Van f/5.6 naar f/11.0 zijn dan ook heel logisch weer twee stops. iso is misschien wel het makkelijkste te onthouden De basisinstelling qua iso is het getal 100. Iedere verdubbeling van het getal is een stop. Dit komt omdat we met iedere verdubbeling van het isogetal de gevoeligheid van de sensor verdubbelen. Deze stappen zijn vele malen makkelijker te onthouden dan die van sluitertijd en diafragma. Lage iso ------------------------ hoge iso 100 - 200 - 400 - 800 - 1600 - 3200 - 6400 - 12800 - 25600 - 101200

  12. Toepassen • Sluitertijd, diafragma en iso zijn zaken die met elkaar verbonden zijn. Je kunt er mee rekenen. Wanneer je aan het ene komt, dan moet je het andere veranderen als je de belichting van je foto hetzelfde wilt houden. Wanneer we één van de waardes veranderen, dan drukken we die verandering uit in stops. histogram Wanneer je bijvoorbeeld een foto hebt met een sluittijd van 1/500, een diafragma van f/8.0 en een iso-instelling van 200 en je wilt een nog snellere sluitertijd, dan weet je nu heel makkelijk wat je moet doen. Als je bijvoorbeeld een sluitertijd van 1/1000 zou willen, maar je wilt je foto niet donkerder hebben, dan moet je dus of je diafragma of je iso aanpassen. Je sluitertijd wordt een stop sneller. Je gaat dus minder lang licht vangen. Dat betekent dat of je diafragma of je iso een stop meer licht moet vangen.

  13. Vervolg cursus Beeld bewerken Aan de hand creatieve opdrachten leer je beeld bewerken. Het gaat niet alleen om het technische aspect van de foto aan passen. Ook het fotograferen zelf staat centraal. Je leert kleuren aanpassen. Ook laat de cursus je zien hoe je foto's vergroot, verkleint en uitsnijdt. Geavanceerde technieken Later komen de meer geavanceerde technieken aan bod, zoals foto's manipuleren en samenvoegen, maskers en lagen, tekenen van objecten en het omgaan met zogenaamde ’filters’. Je leert hoe je bepaalde onderdelen van je foto kunt verbergen of juist meer onder de aandacht kunt brengen. • Aanmelden • Start 3 december

More Related