Download
inleiding sociologie deel 3 n.
Skip this Video
Loading SlideShow in 5 Seconds..
Inleiding Sociologie Deel 3 PowerPoint Presentation
Download Presentation
Inleiding Sociologie Deel 3

Inleiding Sociologie Deel 3

300 Views Download Presentation
Download Presentation

Inleiding Sociologie Deel 3

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - E N D - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Presentation Transcript

  1. Inleiding SociologieDeel 3 Over socialisatie en sociale verandering, macht en mobiliteit, organisaties en sociale klassen

  2. H9. Kiezen tussen Durkheim, Weber en Marx? Verschillende benaderingen van de sociale stratificatie

  3. Beoogde leercompetenties • Het sociologische concept sociale stratificatie met eigen woorden kunnen omschrijven. • Met voorbeelden kunnen illustreren waarom sociale ongelijkheid ‘eigen’ is een specifieke sociale ruimte en een specifieke sociale tijd. • Met voorbeelden kunnen illustreren wat sociale ongelijkheid als verklarende variabele kan verklaren met betrekking tot het sociale handelen. • De grote schema’s in de sociologische literatuur i.v.m. sociale ongelijkheid kunnen omschrijven met eigen voorbeelden. • Een verband kunnen formuleren tussen de paradigma’s en de invulling van sociale stratificatie / sociale ongelijkheid.

  4. Twee typerende sociale relaties (Vranken, 2001) Relaties van nevenschikking Sociale differentiatie of sociale verscheidenheid Relaties van boven- en onderschikking Sociale ongelijkheid Dus ‘verschillende soorten van verschillen’

  5. 9.1 Verscheidenheid en ongelijkheid: een raamwerk Ralf Dahrendorf (1929 - ….), ‘On the social origin of inequality among men’ (1968) http://www.youtube.com/watch?v=Yj5pVe6hOZo

  6. Sociologen • Focus op sociale ongelijkheid • Los van een of ander verband met natuurlijke soort- of rangverschillen. • Wel mogelijkheid dat natuurlijke verschillen zo maatschappelijk worden gewaardeerd dat ze aanleiding geven tot het anders behandelen van groepen en van de leden ervan. • Bv. Etnische verschillen, ‘gender’, leeftijd … bij sollicitaties (discriminatie …)

  7. Sociologen • Welverscheidenheid tussen posities in de samenleving • Die een hiërarchiserend mechanisme zijn • Waardoor de ene positie hoger wordt geplaatst dan de andere, die lager scoort Zodra deze verschillen worden 'geverticaliseerd', hiërarchisch gewaardeerd, waargenomen en gedefinieerd • bieden zij aanknopingspunten en criteria, • op grond waarvan sociale relaties en levenskansen gesloten kunnen worden (Rader & Benschop, 1988: 53)

  8. Hoe naar sociale ongelijkheid? • `Uiteenlopende sociale waardering' • Hoog • Laag Sociale ongelijkheid Verklaringen • `Organisatie van het economisch leven‘ • Kapitalisten • Proletariaat

  9. 9.2 Nog een stap verder? (Vranken, 1995, 1997, 2001) Jan Vranken, UA (° 1944)

  10. 9.2.1 Sociale differentiatie • Een samenleving is niet denkbaar zonder verscheidenheid • Modernisering (‘structurele differentiatie’) • Naast: rationalisering, individualisering en domesticering • Sociologische onderzoek • Beklemtoont de zoektocht naar specifieke combinaties in samenlevingsverbanden, naar variabelen • gelijkaardigheden • verschillen tussen vertaald naar typologieën

  11. 9.2.2 Sociale fragmentering • Sociaal-ruimtelijk • Een verzameling van verschillende ‘ruimten’, die van elkaar gescheiden zijn, maar niet noodzakelijk aan elkaar zijn ondergeschikt. • Een polycentrische ruimte • Zoals bv. een stedelijke ruimte • Een perfecte multiculturele samenleving

  12. 9.2.3 Sociale ongelijkheid (focus sociologie) • Onderscheid naar • Individuen • Groepen (gezinnen, klassen …) • Waarom? • Uiteenlopende waardering voor posities (functionalisme) • Best gedocumenteerd, • zoals: ongelijke inkomensverdeling, ongelijke participatie onderwijs, ongelijke participatie gezondheidszorg of het ongelijk wonen (wie waar en hoe?) • Collectieve vormen van ongelijkheid zijn cruciaal • De economische organisatie(de economische logica, conflict) • “Arbeid” versus “kapitaal”

  13. Illustratie van sociale ongelijkheid http://www.etuc.org/r/18 http://www.ilo.org/global/lang--en/index.htm

  14. Om enig idee te krijgen omtrent het ‘ontstaan’ van een “georganiseerde arbeidersbeweging” binnen het kapitalisme, bekijk de fragmenten van de Vlaamse film Daens. Zij geven de sfeer en wantoestanden uit die periode weer! Klik: http://nl.youtube.com/watch?v=n2RoqkokxS4 http://nl.youtube.com/watch?v=KcZu9_ChcX0&feature=related

  15. 9.2.4 Sociale uitsluiting • Individuen, posities of groepen • Staan in een hiërarchische verhouding tot elkaar • Er zijn duidelijke breuklijnen tussen deze ‘eenheden’ • ‘In’ en ‘out’ • Voorwaarden • Dominantie (kapitaal, elite …) • ‘Buitenstaanders’ • Beschikken niet over middelen • Sociale goederen: economisch, sociaal en cultureel kapitaal • om kloof met de samenleving op eigen kracht te overbruggen • Voorbeeld: • Armoede, fysische ontoegankelijkheid van gebouwen (voor gehandicapten), (etnische) discriminatie (arbeidsmarkt bv.) …

  16. Sociologische realiteit • Samenleving gekenmerkt door • Sociale stratificatie / sociale gelaagdheid • Impact? • Bewustzijn nodig om tot ‘een’ klasse te behoren of niet • Sociale categorieën • Sociale klasse = verzameling (aggregaat) van individuen • met ervaren gemeenschappelijke omstandigheden • en alleen gemeenschappelijke mogelijkheden / uitdagingen om te emanciperen

  17. Even in termen van ‘orde’ of ‘conflict’.

  18. Positie binnen één van de hiërarchisch geordende lagen Maatschappelijk relevante kenmerken van sociale actoren • Strata(functionalisme) • Klassen(conflictsociologie) • Collectiviteit(bewust positie) • Sociale categorie (niet bewust positie) 9.3 ‘Georganiseerde’ vormen van ongelijkheid

  19. Slaven Zie je ‘vandaag dit fenomeen nog?

  20. 9.4 Standen, kasten en klassen • Alle samenlevingen van enige omvang vertonen één of andere vorm van sociale gelaagdheid. • De oudste bekende vorm is de slavernij: de extreemste vorm van ongelijkheid.

  21. 9.4.1 Is een ongelaagde samenleving mogelijk? • Strikte definitie egalitaire samenleving • Alle posities nevengeschikt • Alle ermee verbonden statussen gelijkwaardig • Onderlinge verschillen tussen leden enkel gebaseerd op gezag • Criteria: leeftijd, geslacht of persoonlijke kenmerken • Bv. Australische aboriginals • Accumulatie van bezit en macht in de handen van enkelen ontbreekt in zo’n georganiseerd samenlevingsverband.

  22. Gestratificeerde samenlevingen • Samenlevingen • Waarin posities en statussen aan de hand van particuliere criteria (bv. bezit productiemiddelen) • Verschil naar type sociale gelaagdheid: • Standen (middeleeuwse standenmaatschappij Europa) • Kasten (kastensysteem India) • Klassen (moderne maatschappij)

  23. 9.4.2 De standensamenleving • Erfelijke ordening (toegewezen, ‘ascribed’) • Endogaam • Enkel huwelijkspartners uit dezelfde stand • Rechten en plichten van de leden van elke stand • Nauwkeurig omschreven • Juridisch gesanctioneerd

  24. 9.4.2 De standensamenleving

  25. 9.4.2 De standensamenleving - 2 • Ideologische verantwoording • `Hier op aarde zijn er sommigen die bidden, anderen die strijden en weer anderen die werken ...‘ • `Vanaf het allereerste begin was het menselijke geslacht verdeeld in drieën, (1) de mensen van gebed, (2) de landbouwers en (3) de krijgslieden'. = een “organische” ordening (toen) • Religieus verantwoord • Verbergt een fundamenteel politiek discours(van machtsongelijkheid) • Voorbeeld • Europese feodale orde (middeleeuwen)

  26. “De door God gegeven orde”

  27. 9.4.3 De kastensamenleving • Een traditionele, religieus voorgeschreven en gesanctioneerde sociale ordening. • Endogaam en lidmaatschap kasten geërfd (toegewezen). • De kaste bepaalt het leven van haar leden in de hoogste mate: • Welk voedsel gegeten kan (moet) worden, met wie men contact heeft, hoe men gekleed gaat, in welke beroepen men terecht kan.

  28. 9.4.3 De kastensamenleving(Hindoesamenleving) • Ideologie • De hogere kasten verantwoorden hun positie door zeer uitvoerige religieuze, psychologische en genetische argumenten, uitgedrukt in rituele voorschriften en ondersteund door vérgaande sancties. • Claude Lèvi-Strauss (binaire opposities in kastensamenleving) • Rein/ onrein en rituele status/ seculiere macht • Brahmanen/ onaanraakbaren en Priesters/ krijgsheren. • De kolonisator (Britten) hanteerde bij de grootscheepse volkstellingen vanaf 1872 de ‘kastenidentiteit’ als classificatiecriterium • Waardoor de maatschappelijke relevantie ervan groter werd. • Of ‘hoe’ het denken in termen van ‘sociale categorieën’ tot ‘sociale collectiviteiten’ kan leiden.

  29. 9.4.4 De klassensamenleving: een klasse De georganiseerde ongelijkheid onder de vorm aan van sociale klassen Elke bevolkingsgroep • die een gemeenschappelijke positie inneemt ten aanzien van cruciale maatschappelijke variabelen • Inkomen, vermogen, beroep, onderwijs en levensstijl • waarbinnen aantal gelijkaardige interactiepatronen bestaan • gemeenschappelijke opvattingen deelt (cultuur) • te onderscheiden is van andere bevolkingsgroepen op (een aantal van) genoemde kenmerken (zoals levensstijl) • Niet gevormd of ondersteund door specifieke juridische of religieuze regelingen; evenmin verleent lidmaatschap van een klasse bijzondere burgerlijke of politieke (voor)rechten. • Er zijn ontsnappingsmogelijkheden (sociale mobiliteit).

  30. Het verschillend belang van ‘klasse’ in de verschillende modellen: Marx (1818-1883) • Definitie sociale klasse • Een gemeenschappelijke positie ten aanzien van de productiemiddelen (binnen kapitalisme) • De leden van een klasse • Ontwikkelen een eigen klassenbewustzijn • De klassen • Antagonistische relaties • Conflictuele relaties • Basis voor het tweeklassenmodel: • Burgerij/proletariaat

  31. Het verschillend belang van ‘klasse’ in de verschillende modellen: Max Weber (1864-1920) • De vier economische klassen niet noodzakelijk tegenover elkaar • ze kunnen relaties van afhankelijkheid en samenwerking hebben. • Naast de economische klassentoestand andere dimensies • Status (wél een gemeenschappelijk bewustzijn nodig) • Macht • Dan kan • De economische klassenpositie als afhankelijke variabele gehanteerd, ten aanzien van status of macht • Verhoogt toepassing • voor niet-kapitalistische en laatkapitalistische samenlevingen

  32. Het verschillend belang van ‘klasse’ in de verschillende modellen: Davis en Moore • Definitie • Strata in termen van ‘meer’ of ‘minder’ ten aanzien van een of andere maatschappelijke karakteristiek ( beroepsstatus) • Afwezigheid tegenstellingen tussen verschillende strata • Vage grenzen tussen de verschillende strata zijn • Een continuüm, waarbij strata enkel gradueel van elkaar verschillen • Stratificatie is universeel en noodzakelijk (‘functional’) • Een mechanisme, dat de meest getalenteerde en bekwame leden van een samenleving op die posities lokt, hetgeen ook functioneel noodzakelijk zal zijn voor de samenleving.

  33. Davis en Moore Kingsley Davis (1908-1997) Wilbert Moore (1914-1987)

  34. Het verschillend belang van ‘klasse’ in de verschillende modellen (synthese) • ‘Les classes sociales sont tout’ • voor Marx • ‘Les classes sociales sont quelque chose’ • voor Weber • ‘Les classes sociales ne sont rien’ • voor de functionalisten (Bihr & Pfefferkorn, Déchiffrer les inégalités, 2005: 39-52)

  35. Alain Bihr (1950 - …) Roland Pfefferkorn

  36. Een overzicht

  37. 9.5 Sociale strata, een kwestie van sociaal prestige? 9.5.1 Theoretisch kader: Durkheim • Vragen • Welke vormen van sociale ongelijkheid zijn maatschappelijk aanvaardbaar zijn? • Welke soorten van ongelijkheid zullen in de loop van de maatschappelijke ontwikkeling verdwijnen? • Stelling • Alleen die ongelijkheid die gebaseerd is op de verschillende bijdragen van individuen aan het maatschappelijke geheel is relevant voor positionering binnen de samenleving. • Dit moet dan wel gelegitimeerd worden door een consensus onder de leden van de samenleving.

  38. Morele normen (aanvaardbaarheid) veranderen met de samenleving, c.q. arbeidsverdeling Mechanische solidariteit Organische solidariteit • Basis ongelijkheid • Sociale afkomst • Religie • Ethnische kenmerken • Erfrecht • … • Basis ongelijkheid • Alleen die criteria die • Sociaal functioneel zijn • Moreel gedragen • …

  39. Theoretisch kader: Davis en Moore (1945: 242-249) • “(…) an unconsciously evolved device by which societies ensure that the most important positions are conscientiously filled by the most qualified persons.” • Teleologische karakter • Organicistisch maatschappijbeeld

  40. Juiste man of vrouw wordt naar de juiste plaats geleid of gelokt Ultieme focus: Voortbestaanvan de samenleving • Beloningen • Ongelijkheid • Stratificatie • Behoeftemechanisme • Dat de bekwaamste leden gemeenschap ertoe aanzet om de ‘belangrijke’ en ‘veeleisende’ posities te bekleden • Alle positiebekleders zover te brengen dat ze hun rollen opnemen Functionele belangrijkheid posities Ongelijke posities (Inkomen, vermogen, macht, invloed, prestige) Schaarste aan personeel

  41. Stratificatie bij functionalisten • De aggregatie van de verschillend gewaardeerde posities tot sociale categorieën. • Sociale ongelijkheid • Een opeenstapeling van ‘lagen' of ‘strata' van laag naar hoog (samenleving = een ladder met treden/sporten) • Sociale mobiliteit: vrij gemakkelijk om van de ene sport naar de andere te klimmen.

  42. 9.5.2 Yankee City(Warner en Lunt) Onderzoek van de verschillende ‘klassen’ in Newburyport, onder de schuilnaam ‘Yankee City‘ gepubliceerd. Hogere of lagere status op basis van: • Onderwijs • Beroep • Inkomen • Levensstijl • Sociale herkomst ‘Individuals were placed by the evaluations of Yankee City itself’.

  43. “Yankee City”: gelaagde samenleving Upper-Upper 1.44 % Lower-Upper 1.56 % Upper-Middle 10.22 % Lower-Middle 28.12 % Upper-Lower 32.60 % 25.22 % Lower-Lower Warner & Lunt (1941, 1942)

  44. 9.5.3 Beroepsprestigestratificaties Elchardus (1979)

  45. 9.5.4 Sociaal-economische status (SES) • De meest gangbare indeling in het internationaal vergelijkend onderzoek over mobiliteit en in studies over de relatie tussen de klassenpositie en attitudes van respondenten is de EGP-indeling (1970). • EGP: • Erikson • Goldthorpe • Portocarero

  46. Het EGP-model uit 1979 (Bron: Erikson, Goldthorpe, Portocarero, 1979) Service class ‘Intermediaire’ klasse Arbeiders- klasse

  47. 9.5.5 Bedenkingen bij het functionalistische model • Negatie nefaste gevolgen van ongelijkheid - Ook disfunctioneel • Geen verklaring waarom ‘knelpuntberoepen’ niet hoger worden gewaardeerd • Bevraging ‘opinie over status’ - Voorgevormd door media, ‘als vanzelfsprekend’ • Aanwezigheid van drempels en schotten in het sociale gebeuren is ook een feitelijkheid

  48. 9.5.5 Bedenkingen bij het functionalistische model (1) • Negatie nefaste gevolgen van ongelijkheid (ook disfunctioneel) • Relatie extreme ongelijkheid – zichtbaar via ‘ostentatieve consumptie’ – en vormen van criminaliteit. • Het niet-optimaal aanwenden van het aanwezige menselijke kapitaal versus de moeizame doorstroming uit de onderliggende sociale klassen via onderwijs. • Geen verklaring waarom een aantal posities laag gerangschikt zijn, ondanks hun belang voor voortbestaan samenlevingsverband. • Vuilnisophalers zijn cruciaal voor volksgezondheid • Relatieve schaarste: niet alle ‘knelpuntberoepen’ krijgen een vergelijkbaar loon, zeker niet een stelselmatig een hoger loon. • De vraag rijst: welke factoren worden hier buitenspel gehouden?

  49. 9.5.5 Bedenkingen bij het functionalistische model (2) 3. Bevraging opinie over status in de samenleving • Voorgevormd door media, donderwijs (gesocialiseerd) • Sociaal verwachte antwoorden • Als evident ‘geïnternaliseerd’ • Niemand heeft even grondige kennis van alle lagen 4. Aanwezigheid van drempels en schotten in het sociale gebeuren • Bv. • De arbeidsmarkt (gesegmenteerd) • Elites maken grenzen om hun bevoorrechte positie te vrijwaren (artsen en numerus clausus)