economie voor 10 vwo n.
Download
Skip this Video
Loading SlideShow in 5 Seconds..
Economie voor 10 vwo PowerPoint Presentation
Download Presentation
Economie voor 10 vwo

Loading in 2 Seconds...

play fullscreen
1 / 156

Economie voor 10 vwo - PowerPoint PPT Presentation


  • 103 Views
  • Uploaded on

Economie voor 10 vwo. Opdracht. In tweetallen Knip de 10 items uit. Plak de items op een blad in een cirkel

loader
I am the owner, or an agent authorized to act on behalf of the owner, of the copyrighted work described.
capcha
Download Presentation

PowerPoint Slideshow about 'Economie voor 10 vwo' - sally


Download Now An Image/Link below is provided (as is) to download presentation

Download Policy: Content on the Website is provided to you AS IS for your information and personal use and may not be sold / licensed / shared on other websites without getting consent from its author.While downloading, if for some reason you are not able to download a presentation, the publisher may have deleted the file from their server.


- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - E N D - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Presentation Transcript
opdracht
Opdracht
  • In tweetallen
  • Knip de 10 items uit.
  • Plak de items op een blad in een cirkel
  • Geef nu de relaties aan tussen de 10 items door een pijl te trekken tussen de items en daarbij de schrijven wat de relatie is (de een is b.v een gevolg/oorzaak van de ander, de een is een verschijnsel van het ander)
  • Lever het blad in bij mij
planning
Planning
  • Dit jaar drie lesbrieven: Levensloop, Monetaire Zaken en Arbeidsmarkt.
  • Elke lesbrief: twee toetsen
  • Elke lesbrief wordt afgesloten met SE
werkwijze
Werkwijze

Elke les: korte uitleg op smartbord

Powerpoints op vakportaal economie

Daarna stof verwerken in:

Groepen

Individueel of in tweetallen

Computerlokaal

regels
Regels

Als je iets wilt vragen/zeggen, steek je vinger op.

Alleen mobiele telefoons gebruiken met mijn toestemming.

Niet door de klas lopen

Niet eten in de klas (drinken mag wel)

In tweetallen naast elkaar zitten (dus niet met drie of vier)

opdracht 1
Opdracht 1

Beantwoord de volgende vragen

Schrijf ze op een blaadje

Zet je naam op het blaadje

Lever blaadje in aan einde van de les.

5 minuten

vragen
Vragen

Ben je op vakantie geweest?

Met wie ben je op vakantie geweest (ouders, vrienden)

Waar ben je op vakantie geweest?

Het is crisis: gaan Nederlanders volgens jou daardoor minder op vakantie?

Het is crisis: geven Nederlanders daardoor minder uit als ze op vakantie gaan?

opdracht 2
Opdracht 2

Lees de uitgedeelde tekst en beantwoord de vier vragen

Beantwoord de vragen eerst zelf

Ga daarna – als je buurman ook klaar is – de vragen met elkaar vergelijken. Verbeter indien nodig je antwoord.

Tot slot bespreken we de antwoorden klassikaal

hoofdstuk 1 kiezen
Hoofdstuk 1: kiezen
  • Economie gaat over kiezen uit alternatieven
  • Waarom kiezen we iets?????
kiezen
Kiezen
  • Je moet kiezen omdat producten schaars zijn (par. 2)
  • Bij het kiezen hou je rekening met opofferingskosten (par. 2)
  • Bij het kiezen hou je rekening met je budget (par. 3)
  • Bij het kiezen hou je rekening met de ander (par. 4)
1 kiezen en schaarste
1. Kiezen en schaarste
  • Schaarste in economie wil zeggen dat er inspanning moet worden geleverd of kosten moeten worden gemaakt om het maken.
  • Daarom kosten schaarse goederen meestal geld
  • En omdat iets geld kost, moet je kiezen. Je hebt niet genoeg geld om alles te kopen wat je wilt.
1 kiezen en schaarste1
1. Kiezen en schaarste
  • Vrije goederen: goederen waarvoor geen inspanningen gedaan moeten worden of kosten moeten worden gemaakt om ze te maken
2 opofferingskosten
2. Opofferingskosten
  • Als je kiest hou je rekening met opofferings kosten. Wat offer ik op als ik iets kies en is het me dat waard.
  • Opofferingskosten zijn de opbrengsten van het beste niet gekozen alternatief.
  • Als je iets kiest zijn de opofferingskosten lager dan de opbrengsten van hetgeen je kiest
2 opofferingskosten1
2. Opofferingskosten
  • Voorbeeld. Ik heb de keuze uit drie alternatieven:
    • Werken bij AH: levert € 3 per uur op
    • Oppassen: levert € 5 per uur op
    • Opa helpen in de tuin, levert € 4 op en een goed gevoel
  • Waarschijnlijk kies je voor oppassen. De opofferingskosten zijn dan € 4 en een goed gevoel.
1 3 budgetlijn
1.3 Budgetlijn
  • Wat je kiest is afhankelijk van je budget
  • Budget: hoeveel geld heb ik ter beschikking
  • Als ik minder budget heb, kan ik minder kopen
  • Als je de keuze hebt uit twee producten, kun je een budgetvergelijking en een budgetlijn tekenen
1 3 budgetlijn1
1.3 Budgetlijn
  • Als je de keuze hebt uit twee producten, kun je een budgetvergelijking en een budgetlijn tekenen
  • 100 = 1a + 2,5b
  • 100 = budget
  • a = blikje cola en b = broodje kaas
  • 1 = prijs blikje cola en 2,5 is prijs broodje gezond
1 3 budgetlijn2
1.3 budgetlijn
  • Teken deze budgetlijn (zet a op de Xas)
  • Wat gebeurt er met de budgetlijn als:
    • Je budget verdubbelt (prijzen blijven gelijk0
    • De prijs van cola verdubbelt (budget en prijs broodje gezond blijft gelijk)
1 4 andermans keuze
1.4 andermans keuze
  • Filmpje: golden balls: 100.000 split orsteal
welke keuze wordt er gemaakt
Welke keuze wordt er gemaakt
  • Waarschijnlijk kiezen ze allebei voor niet delen omdat ze niet weten van elkaar wat ze doen en elkaar niet vertrouwen. Immers als Daan voor delen kiest, kan het zomaar zijn dat Ischa voor niet delen kiest en Daan dus met lege handen staat
  • De meest waarschijnlijke keuze noemen wee de dominante strategie. (in dit geval niet delen dus)
welke keuze wordt er gemaakt1
Welke keuze wordt er gemaakt
  • Maar als ze allebei kiezen voor niet delen, dan krijgen ze allebei niets.
  • Dus als beiden voor het eigen belang gaan, dan krijgen ze allebei niets.
welke keuze wordt er gemaakt2
Welke keuze wordt er gemaakt
  • Als Daan toch voor delen kiest en Ischa voor niet delen, dan krijgt Daan niets en Ischa de hele Bounty.
  • Ischa noemen we dan een free rider; hij profiteert van het goede gedrag van Daan. Hij vertoont liftersgedrag.
prisonersdilemma
Prisonersdilemma
  • We noem dit spel een prisonersdilemma omdat er
    • Twee partijen zijn die niet van elkaar weten welke keuze ze maken
    • Twee partijen zijn die elkaar niet vertrouwen
    • Elke partij gaat voor het eigen belang.
    • Een resultaat ontstaat dat ongunstig is voor beiden
niet altijd de slechte uitkomst
Niet altijd de slechte uitkomst
  • Het dilemma hoeft niet altijd tot een slecht resultaat te leiden. Je kunt het voorkomen;
    • Door bindende afspraken te maken. Twee partijen spreken af samen te werken omdat niet samenwerken tot straf leidt. De twee criminelen zijn bang gedood te worden, de twee zussen krijgen geen zakgeld.
    • Bij herhaling van het spel. De ene partij kiest niet voor de dominante strategie maar kiest voor samenwerking
gevangenen
Gevangenen
  • Maken de afspraak beiden te zwijgen, maar dit wordt pas een bindende afspraak als ze weten dat ze worden vermoord door de ander (of zijn handlanger) als ze bekennen
bindende afspraken
Bindende afspraken
  • Evenwicht: ze ruimen beiden niet op
  • Beiden wel opruimen is beter, maar hoe komen ze daar:
    • Ze beloven allebei op te ruimen en ouders dreigen met straf als ze dat niet doen (ze hebben dus een bindende afspraak)
    • Titfortat: Tara ruimt wel op en start dus met samenwerken in de hoop dat Sofie volgt. Als Sofie niet volgt, dan stop Tara ook met opruimen. Dit kan alleen als het dilemma wordt herhaald.
liftersgedrag
Liftersgedrag
  • Als Tara wel opruimt en Sofie niet dan vertoont Sofie liftersgedrag. Sofie profiteert van goede gedrag van Tara.
  • Liftersgedrag noemen we ook wel free-ridergedrag
spor en oldi
Spor en Oldi
  • Spor en Oldi zijn twee supermarkten die erover denken reclame te gaan maken.
  • Ze maken nu beiden 100 winst en als ze beiden reclame gaan maken blijft hun omzet gelijk, maar nemen de kosten toe met 10
spor en oldi1
Spor en Oldi
  • Wat is de dominante strategie van Spor
  • Wat is de dominante strategie van Oldi
  • Wanneer is spor een free rider
  • Waarom is hier sprake van een prisonnersdilemma
  • Hoe kunnen Spor en Oldi hun probleem oplossen
spor en oldi2
Spor en Oldi
  • Wat is de dominante strategie van Spor:
    • reclame maken
  • Wat is de dominante strategie van Oldi:
    • reclame maken
  • Wanneer is spor een free rider:
    • als Spor reclame maakt en Oldi niet
spor en oldi3
Spor en Oldi
  • Waarom is hier sprake van een prisonnersdilemma:
    • omdat ze niet weten van elkaar wat ze doen
    • Ze kiezen voor eigen belang
    • Het eindresultaat niet optimaal is
  • Hoe kunnen Spor en Oldi hun probleem oplossen.

- Bindende afspraken maken. Afspreken dat ze beiden geen reclame maken

prisonerdilemma
Prisonerdilemma
  • Prisonersdilemma met meerdere partijen: veelpersoonsdilemma.
  • Er wordt een feestje georganiseerd en iedereen neemt op vrijwillige basis eten en drinken mee.
  • De verleiding is groot om niets of weinig mee te nemen, maar als iedereen dat doet, dan heb je geen feestje
  • Degene die niets meeneemt is een free rider. Hij profiteert van het goede gedrag van anderen
prisonersdilemma1
Prisonersdilemma
  • Oplossen?
    • Je komt pas binnen als je iets meeneemt.
    • Je krijgt een slechte naam, er wordt over je gepraat.
    • Je wordt niet meer uitgenodigd.
prinsjesdag
Prinsjesdag
  • 3e dinsdag van september
    • Wat leest de koning voor?
    • Wat staat daar in?
    • Wat biedt de minister van Financien aan?
    • Hoe noemen we de 3e dinsdag in september?
prinsjesdag1
Prinsjesdag
  • Filmpje:www.rijksoverheid.nl/onderwerpen prinsjesdag
  • Lees het krantenartikel.
    • Wat merken jullie hiervan?
    • Wat bedoelen we met een daling van de koopkracht?
prinsjesdag2
Prinsjesdag
  • Je ouders gaan in koopkracht achteruit
  • Alles wordt duurder (accijns gaan omhoog)
  • Kinderbijslag wordt minder
  • Je buurman is werkeloos
vandaag
Vandaag
  • Uitslag quizzzzzzzz
  • Inkomensverdeling
  • Kort filmpje
  • Uitleg
  • Opdracht in tweetallen.
h 2 inkomensverdeling en lorenzcurve
H.2 Inkomensverdeling en Lorenzcurve
  • Lorenzcurve laat inkomensverdeling in een land of in een groep zien.
  • Lorenzcurve geeft aan of inkomensverdeling gelijk of ongelijk is.
  • Op de x-as percentage van de bevolking
  • Op de Y- as percentage van de bevolking
h 2 gini index
H.2 Gini index
  • Om de ongelijkheid te meten wordt gebruikgemaakt van de Gini-index, waarbij een index van 0 gelijk staat aan volkomen gelijkheid en 100 aan volkomen ongelijkheid. De meeste West-Europese landen hebben een zeer lage Gini-index vanwege hun hoge inkomstenbelasting
inkomensverdeling en lorenzcurve
Inkomensverdeling en Lorenzcurve
  • Naarmate de inkomensverdeling gelijker wordt (=nivellering), komt de Lorenzcurve meer naar het midden ( de diagonale lijn)’.
  • Huiswerk voor volgende week donderdag: 2.7 t/m 2.11
opgaven
Opgaven
  • t/m opgave 2.6
2 6 ruilen over de tijd
2.6 Ruilen over de tijd
  • Sparen: ik consumeer niet nu, maar later. De ruil (geld voor goederen) wordt uitgesteld
  • Lenen: ik consumptie in de toekomst wordt vervangen door consumptie nu. De ruil wordt vervroegd.
2 6 ruilen over de tijd1
2.6 Ruilen over de tijd
  • Bij lenen en sparen komen de opofferingskosten weer aan de orde.
  • Opofferingskosten in de vorm van tijd (nu of later) en geld (rente)
2 6 ruilen over de tijd2
2.6 Ruilen over de tijd
  • Rente: de prijs van geld
  • Als ik spaar, geef ik de bank de beschikking over mijn geld en wil ik daarvoor een vergoeding.
  • Waarom wil ik eigenlijk die vergoeding in de vorm van rente?
2 6 ruilen over de tijd3
2.6 Ruilen over de tijd
  • Waarom wil ik eigenlijk die vergoeding in de vorm van rente als ik mijn geld nu niet heb, maar straks
    • Misschien ben ik straks wel dood en heb ik niets aan mijn geld straks
    • Misschien ben ik straks wel rijker en kan ik het geld beter nu hebben
2 6 ruilen over de tijd4
2.6 Ruilen over de tijd
  • Waarom wil ik eigenlijk die vergoeding in de vorm van rente als ik mijn geld nu niet heb, maar straks
    • Misschien ben ik straks wel dood en heb ik niets aan mijn geld straks
    • Misschien ben ik straks wel rijker en kan ik het geld beter nu hebben
2 6 ruilen over de tijd5
2.6 Ruilen over de tijd
  • Je wilt dus een vergoeding in de vorm van rente omdat je niet nu maar pas later over je geld kunt beschikken. Boven op deze rente, kan nog extra rente komen voor risico’s
    • Risico’s dat ik het gespaarde/uitgeleende bedrag niet terug krijg
    • Risico’s dat het geld minder waard wordt door inflatie
    • Risico’s dat het geld minder waard wordt door wisselkoersschommelingen
hoofdstuk 3
Hoofdstuk 3
  • Transactiekosten: tijd en geld die het kost om een transactie (ruil) tot stand te brengen.
  • Zowel koper als verkoper hebben transactiekosten!!!!!!!
asymmetrische informatie
Asymmetrische informatie
  • De ene partij weet meer dan de andere partij
  • Dit leidt tot extra transactiekosten
asymmetrische informatie1
Asymmetrische informatie
  • Asymmetrische informatie: de verzekerde weet meer dan de verzekeraar.
  • De verzekeraar is altijd op zoek naar informatie over de verzekerde.
    • b.v. je betaalt een lage premie als je gezond leeft: maar hoe weet de verzekeraar of je gezond leeft.
    • Je verzekert je Iphone. De verzekeraar wil weten of je met de politie in aanraking bent geweest?
premie particuliere verzekering
Premie particuliere verzekering
  • Premie: de prijs van een verzekering
  • Premie berekenen: kans op schade x de gemiddelde hoogte van verwachte schade
  • Voorbeeld:
    • Aantal verzekerde auto’s = 100.000
    • Gemiddelde schade = € 4.000
    • Kans op schade is 10%
    • Premie = € 400 (= Kans op schade x gemiddelde schade)
premie particuliere verzekering1
Premie particuliere verzekering
  • Bereken nu de premie op een andere manier.
premie particuliere verzekering2
Premie particuliere verzekering
  • Zo kun je het ook uitrekenen:
    • Totaal schadebedrag = € 4.000 x 10.000 = € 40.000.000.
    • Schadebedrag delen door aantal verzekerden
    • € 40.000.000/100.000 = € 400 premie
premie
Premie
  • Bereken nu de premie als de verzekeraar € 2 miljoen winst wil maken.
averechtse selectie
Averechtse selectie
  • De mensen met goede risico’s verzekeren zich niet, de mensen met slechte risico’s wel.
  • Gevolg: verzekeren wordt erg duur (weinig premiebetalers, veel uitkeringen)
  • Oplossen:
    • verzekering verplichten zoals bij ziektekostenverzekering.
    • Premiedifferentiatie: mensen met weinig risico betalen lagere premie.
    • Eigen risico
moral hazard
Moral hazard
  • Mensen gedragen zich roekeloos of risicovol omdat ze toch al verzekerd zijn
  • Gevolg: veel schade en hogere premies
  • Oplossen:
    • eigen bijdragen/risico bij schade,
    • schade uitkering aan maximum verbinden
    • Premiedifferentiatie (als je weinig schade hebt, dan betaal je weinig premie)
verzekeren
verzekeren
  • Lees artikel over verzekeren. Er komen een aantal begrippen in terug die we hebben behandeld.
    • Wat zijn de opofferingskosten van het niet afsluiten van een annuleringsverzekering?
    • Zoek in het artikel de tekst die hoort bij de begrippen:
      • Risico aversie
      • Averechtse selectie
      • Transactiekosten
premie1
Premie
  • Premie: kans op schade x verwachte hoogte schade
  • Premie: (totaal schade bedrag + opslag voor winst en kosten) : aantal verzekerden
opdracht 3 9
Opdracht 3.9

Premie: kans op schade x verwachte hoogte schade

  • Premie voor groep 1: 0,01 x 20.000 = € 200
  • Premie voor groep 2: 0,02 x € 20.000 = € 400
  • Premie voor groep 3: 0,03 x € 20.000 = € 600

Alleen groep 2 en 3 verzekeren zich voor een premie van € 400.

opdracht 3 14
Opdracht 3.14
  • Eigen risico tegen averechtse selectie: een voorzichtig iemand kan zijn eigen risico verhogen en zo zijn premie verlagen. Voor een lagere premie zal hij zich eerder verzekeren
  • Eigen risico tegen moreel wangedrag: als je een deel van de schade zelf moet betlane, word je vanzelf voorzichtiger
  • No claim korting tegen moreel wangedrag: als je geen schade hebt (geen schade claimt) en dus voorzichtiger bent, dan krijg je een lagere premie
3 7 sociale zekerheid
3.7 Sociale zekerheid
  • Sociale zekerheid: wetten die je helpen bij ziekte, werkeloosheid, ouderdom, grootbrengen van kinderen en arbeidsongeschiktheid
  • Gebaseerd op solidariteit
    • Van werkenden met werkelozen
    • Van jongeren met ouderen
    • Van gezonde mensen met de zieken
3 7 sociale zekerheid1
3.7 Sociale zekerheid
  • Sociale zekerheid bestaat uit:
    • Sociale verzekeringen: betaald uit premies
    • Sociale voorzieningen: betaald uit belastinggeld: zoals Wet Werk en Bijstand
3 7 sociale zekerheid2
3.7 Sociale zekerheid
  • Sociale verzekeringen bestaan uit
    • Volksverzekeringen: voor iedereen (AOW, AWBZ. ANW, AKW)
    • Werknemersverzekeringen: voor mensen in loondienst (WIA, WW)
3 8 zorgverzekering
3.8 Zorgverzekering
  • Wie is waar verzekerd (pasjes)
  • Filmpje: waar op letten bij je zorgverzekering (consumentenbond)
ziektekostenverzekering
Ziektekostenverzekering
  • Zorgverzekering: dekt kosten van gezondheidszorg.
  • De zorgverzekering bestaat uit:
    • een verplicht basispakket;
    • een niet verplicht aanvullend pakket.
ziektekostenverzekering basispakket
Ziektekostenverzekering: basispakket
  • Het basispakket is verplicht. Iedereen moet zich verzekeren voor het basispakket. We gaan hiermee averechts selectie tegen.
  • Dit pakket is voor iedereen gelijk.
ziektekostenverzekering basispakket1
Ziektekostenverzekering: basispakket
  • Iedereen betaalt voor het basispakket een vast bedrag per maand (= nominale premie). Deze betaal je aan de zorgverzekeraar (Menzis, ONVZ , AGIS)
  • Je kunt zelf kiezen welke verzekeraar je kiest. De ene verzekeraar is voor hetzelfde pakket iets goedkoper dan de andere
ziektekostenverzekering basispakket2
Ziektekostenverzekering: basispakket
  • Daarnaast betaalt iedereen een inkomensafhankelijke premie voor het basispakket. Deze wordt ingehouden op je loon door je werkgever.
ziektekostenverzekering aanvullende verzekering
Ziektekostenverzekering: aanvullende verzekering
  • Je kunt je ook aanvullend verzekeren (b.v voor de tandarts of extra fysiotherapie). Je betaalt daarvoor dan een extra nominale premie aan de zorgverzekeraar.
opdracht2
Opdracht
  • Lees artikel en beantwoord de vragen
    • Hoe zorgt Aron ervoor dat hij zo weinig mogelijk betaalt voor zijn zorgverzekering
    • De basis verzekering is verplicht: welke probleem wordt daarmee voorkomen?
    • Er is een eigen risico van € 350: welk probleem wordt daarmee voorkomen
    • Zou jij je eigen risico verhogen in ruil voor een lagere premie? Waarom
economie gaat over kiezen
Economie gaat over kiezen
  • Wat kun je kiezen:
    • Bij welke verzekeraar je de verplichte basisverzekering afsluit (b.v. Menzis of Agis)
    • Of je wel of niet de – niet verplichte - aanvullende verzekering afsluit
    • Of je je eigen risico van € 350 verhoogt of niet
hoofdstuk 4
Hoofdstuk 4
  • Nominaal inkomen: loon uitgedrukt in geld
  • Reeël inkomen: koopkracht van je nominaal loon
hoofdstuk 41
Hoofdstuk 4
  • Wat gebeurt er met mijn reëel inkomen als mijn nominaal inkomen gelijk blijft en de prijzen stijgen.
  • Om dat te berekenen gebruiken we indexcijfers
hoofdstuk 42
Hoofdstuk 4
  • Indexcijfers laten zien hoeveel een grootheid toeneemt ten opzichte van basisjaar
  • Basisjaar wordt op 100 gesteld
  • Als mijn nominaal loon ten opzichte van het basisjaar met 4% toeneemt, is het indexcijfer nominaal loon 104
  • Als prijzen met 2,1% stijgen tov basisjaar, dan is prijsindexcijfer 102,1
hoofdstuk 43
Hoofdstuk 4
  • Indexcijfers laten zien hoeveel een grootheid toeneemt ten opzichte van basisjaar
  • Indexcijfer koopkracht = indexcijfer nominaal loon/prijsindexcijfer x 100
  • RIC = NIC/PIC x 100
hoofdstuk 44
Hoofdstuk 4
  • Als lonen gelijk blijven en prijzen stijgen met 2,1%?
  • Indexcijfer koopkracht = 100/102,1 x 100 = 97,94
  • Koopkracht is met 2,06% gedaald.
hoofdstuk 45
Hoofdstuk 4
  • Lees de kerncijfers van Griekenland
    • Bereken het indexcijfer koopkracht 2013 met 2007 als basisjaar
    • Bereken het indexcijfer nominaal loon 2013 met 2007 als basisjaar
    • Bereken nu het prijsindexcijfer 2013 met 2007 als basisjaar
hoofdstuk 46
Hoofdstuk 4
  • Lees de kerncijfers van Griekenland
    • Bereken het indexcijfer koopkracht 2013 met 2007 als basisjaar: 60
    • Bereken het indexcijfer nominaal loon 2013 met 2007 als basisjaar: 71,5
    • Bereken nu het prijsindexcijfer 2013 met 2007 als basisjaar: 60 = 71,5/pic x 100 → 60 = 7150/pic → 60 pic = 7150 → pic = 119,17
hoofdstuk 47
Hoofdstuk 4
  • Ik verdien in 2012 bruto € 21.000 per jaar
  • Ik verdien netto € 16.000 netto per jaar
  • Wat gaat er allemaal vanaf?????????
bruto loon jaap
Bruto loon Jaap
  • Brutoloon: € 50.000 per jaar
  • 8% vakantiegeld: € 4.000
  • Totaal brutoloon: € 54.000 per jaar
belastbaar inkomen
Belastbaar inkomen
  • Belastbaar inkomen is inkomen waarover je belasting gaat betalen.
  • Belastbaar inkomen is vaak lager dan je bruto inkomen.
belastbaar inkomen1
Belastbaar inkomen
  • Belastbaar inkomen = bruto inkomen – aftrekposten (pagina 18)
  • Aftrekposten: hypotheekrente, scholingskosten, giften, betaalde alimentatie…..
  • Hypotheekrente: de rente die ik betaal over de lening die ik heb afgesloten om mijn huis te kunnen kopen.
belastbaar inkomen voorbeeld
Belastbaar inkomen voorbeeld
  • Jaap verdient een bruto inkomen: € 54.000
  • Hij heeft een hypotheek en betaalt jaarlijks € 6.000 aan rente.
  • Die € 6.000 mag hij aftrekken van zijn bruto inkomen.
  • Hij betaalt dan belasting over € 48.000 en niet over € 54.000
belasting betalen
Belasting betalen
  • Belasting betalen dus over belastbaar inkomen
  • Je betaalt niet alleen belasting over je bruto inkomen maar ook premies voor volksverzekeringen (aow, anw).
  • Belasting en premies noemen we bij elkaar inkomensheffing of loonheffing
belasting betalen in schijven
Belasting betalen in schijven
  • Inkomensheffing/loonheffing betaal je in schijven
  • Naarmate je meer verdient, betaal je een hoger percentage aan inkomensheffing.
belasting betalen in schijven1
Belasting betalen in schijven
  • Voorbeeld: belastbaar inkomen is € 48.000
    • Over de eerste € 20.000 betaal je 20% inkomensheffing. Dat is € 4.000
    • Over het bedrag tussen de € 20.000 en € 40.000 betaal je 30% inkomensheffing. Dat is € 6.000
    • Daarboven betaal je 50%. Dat is € 4.000 (50% van € 8.000
  • Bij elkaar betaal je dus € 14.000 aan inkomensheffing
heffingskorting
Heffingskorting
  • Iedereen krijgt een korting op het bedrag dat hij aan belasting moet betalen, de zogenaamde heffingskortingen:
    • Algemene heffingskorting voor iedereen: € 2.000
    • Arbeidskorting, alleen voor werkenden: € 1.500
  • In ons voorbeeld krijg je dus een korting van € 3.500 op € 14.000 en betaal je uiteindelijk € 10.500 aan inkomensheffing
van bruto naar netto
Van bruto naar netto
  • Uiteindelijk betaal je dus € 10.500 aan inkomensheffing
  • Trek dit af van je bruto loon van € 54.000 en je hebt je netto loon: € 43.500
stappen
Stappen
  • Bereken bruto loon
  • Trek aftrekposten af van brutoloon (1) en je krijgt belastbaar inkomen
  • Bereken inkomensheffing op basis van belastbaar inkomen en de schijven.(2)
  • Trek heffingskortingen af van berekende inkomensheffing (3)
  • Trek inkomensheffing (4) af van brutoloon (1) en je krijgt nettoloon
gemiddelde belastingdruk
Gemiddelde belastingdruk
  • Gemiddelde heffingsdruk: hoeveel betaal je gemiddeld aan belasting en premies (inkomensheffing) over je bruto inkomen
  • Gemiddelde heffingsdruk: (inkomensheffing/brutoloon) X 100%
  • Stel ik verdien bruto € 80.000 en ik betaal 30.000 aan belasting
  • Belastingdruk is: (€ 30.000/€ 80.000) x 100% = 37,5%
marginale belastingdruk
Marginale belastingdruk
  • Hoeveel procent belasting moet ik betalen over mijn extra verdiende inkomen.
belastingstelsels
Belastingstelsels
  • Progressief: als je meer verdient, betaal je een hoger percentage van je inkomen aan belasting.
  • Proportioneel: iedereen betaalt bij elk inkomen hetzelfde percentage.
  • Degressief: als je meer verdient, ga je een lager percentage aan belasting betalen.
de nivelleren
De(nivelleren)
  • Nivelleren: inkomensverschillen kleiner maken
  • Denivelleren: inkomensverschillen groter maken
inkomensverschillen
Inkomensverschillen
  • Inkomensverschillen worden kleiner als
    • Heffingskortingen hoger worden
    • Belastingtarieven voor lagere inkomens lager worden en voor hogere inkomens hoger
    • Je minder kosten mag aftrekken van de bruto inkomen
  • Inkomensverschillen worden groter als
    • Heffingskortingen lager worden
    • Belastingtarieven voor lagere inkomens hoger worden en voor hogere inkomens lager
    • Je meer kosten mag aftrekken van het bruto inkomen
opdracht3
Opdracht
  • Maak opdracht in viertallen
  • Inleveren aan einde van de les
  • Gebruik steeds het stappenplan
slide104
Bert
  • Verdient € 4.000 bruto per maand en 8% vakantiegeld
  • Heeft geen eigen huis en geen aftrekposten
  • Heffingskortingen zijn € 2.500 per jaar
  • Hij betaalt 30% belasting over de eerste € 20.000 aan inkomen, 40% tussen de € 20.000 en € 60.000 en 50% over alles wat hij daarboven verdient
benno
Benno
  • Verdient € 8.000 per maand en 8% vakantiegeld
  • Heeft geen eigen huis
  • Heffingskortingen zijn € 2.500 per jaar
  • Hij betaalt 30% belasting over de eerste € 20.000 aan inkomen, 40% tussen de € 20.000 en € 60.000 en 50% over alles wat hij daarboven verdient
opdracht 11
Opdracht 1
  • Bereken netto inkomen van Bert en Benno. Volg daarbij de stappen van het stappenplan.
  • Bereken gemiddelde heffingsdruk van Bert en Benno.
opdracht 1 bert
Opdracht 1: Bert
  • Bruto inkomen: 12 x € 4.000 = € 48.000 + 8% van € 48.000 = € 51.840
  • Belastbaar inkomen is gelijk aan bruto inkomen omdat er geen aftrekposten zijn.
  • Belasting: 30% over € 20.000 = € 6.000 en 40% over € 31.840 = € 12.736. Bij elkaar: € 18.736
  • Heffingskortingen: € 18.736 - € 2.500 = € 16.236
  • Netto inkomen is € 51.840 - € 16.236 = € 35.604
  • Gemiddelde heffingsdruk: € 16.236/€ 51.840 = 31,31%
opdracht 1 benno
Opdracht 1: Benno
  • Bruto inkomen: 12 x € 8.000 = € 96.000 + 8% van € 96.000 = € 103.680
  • Belastbaar inkomen: € 103.680
  • Belasting: 30% over € 20.000 = € 6.000 en 40% over € 40.000 = € 16.000 en 50% over € 43.680 = € 21.840
  • Heffingskortingen: € 43.840 - € 2.500 = € 41.340
  • Netto inkomen is € 103.680 - € 41.340 = € 62.340
  • Gemiddelde heffingsdruk: € 41.340/€ 103.680 = 39,8%
opdracht 21
Opdracht 2
  • Benno en Bert kopen een huis en betalen 6% rente over de hypotheek van € 300.000
opdracht 2 bert
Opdracht 2: Bert
  • Bruto inkomen: 12 x € 4.000 = € 48.000 + 8% van € 48.000 = € 51.840
  • Belastbaar inkomen € 51.840 – 18.000 = € 33.840
  • Belasting: 30% over € 20.000 = € 6.000 en 40% over € 13.840 = € 5.536. Bij elkaar: € 11.536
  • Heffingskortingen: € 11.536 - € 2.500 = € 9.036
  • Netto inkomen is € 51.840 - € 9.036 = € 42.804
  • Gemiddelde heffingsdruk: € 9.036/€ 51.840 = 17,43%
opdracht 2 benno
Opdracht 2: Benno
  • Bruto inkomen: 12 x € 8.000 = € 96.000 + 8% van € 96.000 = € 103.680
  • Belastbaar inkomen: € 103.680 - € 18.000 = € 85.680
  • Belasting: 30% over € 20.000 = € 6.000 en 40% over € 40.000 = € 16.000 en 50% over € 25.680 = € 12.840
  • Heffingskortingen: € 34.840 - € 2.500 = € 32.340
  • Netto inkomen is € 103.680 - € 32.340 = € 71.340
  • Gemiddelde heffingsdruk: € 32.340/€ 103.680 = 31,2%
belasting over ons vermogen
Belasting over onsvermogen
  • Door hypotheekrenteaftrek en andereaftrekposten:
    • Gaan Bert en Benno minder belastingbetalen (logisch want mijnbelastbaarinkomenneemtaf)
    • Worden de inkomensverschillengroter
belasting over ons vermogen1
Belasting over onsvermogen
  • Voorbeeld: stelikheb 100.000 op eenspaarrekening (= vermogen) en krijg 4.000 rente (inkomen uitvermogen). Dan is mijnrendement: (4.000: 100.000) x 100% = 4%
  • De belastingdienstgaater van uitdatonsrendement op onsvermogenaltijd 4% is. Ditnoemen we het fictiefrendement
  • Over ditfictiefrendementbetalen we 30% belasting
belasting over ons vermogen2
Belasting over onsvermogen
  • We betalen 30% belasting over het rendementwat we op onsvermogenhalen
  • Rendement is wat we verdienen met onsvermogen
  • Formule: (inkomenuitvermogen: vermogen) x 100%
vermogensrendementsheffing
Vermogensrendementsheffing
  • Ikheb € 100.000 op eenspaarrekening
  • Fictiefrendement is 4%, dan is het inkomenuitvermogen € 4.000
  • Over die € 4.000 betaalik 30% belasting. Dat is € 1.200
  • Maak nu som 4.17
sparen
Sparen
  • Nederlanders zijn een spaarzaam volkje
  • € 328.000.000.000 op spaarrekeningen
  • Dat is per Nederlander: € 19.294.
  • Best veel, is dat slim???????
vandaag1
Vandaag
  • Opdracht sparen klassikaal
  • Uitdelen nieuwe planning
  • Groepsopdracht: argumenteren
opdracht4
Opdracht
  • Stelling: sparen levert niets op, maar moet je toch doen……………………..
  • Bereken met indexcijfers de verandering van de koopkracht van mijn vermogen.
opdracht5
Opdracht
  • Ik heb op 1 januari 2013 € 40.000 aan spaargeld op een spaarrekening staan.
  • Ik krijg 1,5% rente over die € 40.000 in 2013. De rente wordt op het einde van het jaar aan mijn spaartegoed toegevoegd.
  • De inflatie is 2,5%. Alle producten zijn eind 2013 2,5% duurder.
opdracht6
Opdracht
  • Ik betaal ook nog 1,2% belasting over al mijn spaartegoed boven de € 21.000. Ga uit van 1,2% van € 19.000 = € 40.000 - € 21.000.
  • De belasting gaat af van mijn spaartegoed dat ik heb op 31 december
opdracht7
Opdracht
  • Wat is jouw conclusie na het maken van de opdracht
  • Ben jij het eens met de stelling dat sparen weinig oplevert, maar dat je het toch moet doen?
  • Waarom zou je toch moeten sparen?
opdracht8
Opdracht
  • Ga uit van Ric = nic/pic x 100
    • Nic = toename vermogen spaarrekening
    • Nic = er komt bij rente, er gaat vanaf belasting
    • Rente = 1,5% van € 40.000 = € 600
    • Belasting = 1,2% van € 19.000 = € 228
    • Rente en belasting samen = € 372.
    • Dit is een toename t.o.v. € 40.000 van 0,93%
    • Nic = 100,93
    • Pic = inflatie = 102,5
  • Ric = 100,93/102,5 x 100 = 98,5
keuzes in het spitsuur
Keuzes in het spitsuur
  • Speelkwartier van het leven: 25e tot 30e levensjaar: weinig verantwoordelijkheden
  • Spitsuur van het leven: 30e tot 55e levensjaar.
  • Drukke baan, opgroeiende kinderen en zorg voor hulpbehgoevende ouders.
  • In spitsuur veel keuzes maken en …
  • Economie gaat over keuzes maken
keuzes in spitsuur
Keuzes in spitsuur
  • Carrière of niet????
  • Huis kopen of huren
  • Kinderopvang of – meestal de vrouw - korter werken
  • Taken in het huishouden.
kopen of huren huis
Kopen of huren huis
  • Kopen of huren van een huis: wat is voordeliger?
taakverdeling in het huishouden
Taakverdeling in het huishouden
  • Wie doet wat in het huishouden
arbeidsdeling in huishouden
Arbeidsdeling in huishouden

Over de taak luiers verschonen doet Josje 3 uur en Joris 6 uur. Joris is dus twee keer zo langzaam. Bij stofzuigen is Joris 1,5 zo langzaam.

uitleg
Uitleg

Josje is in beide taken sneller dan Joris. Ze heeft voor elke taak een absoluut voordeel ten opzichte van Joris.

Joris is in luiers verschonen twee keer zo langzaam als Josje en in stofzuigen maar 1,5 keer zo langzaam als Josje.

Joris heeft daarom bij stofzuigen een comparatief of relatief voordeel t.o.v. luiers verschonen.

arbeidsdeling in huishouden1
Arbeidsdeling in huishouden
  • Als ze zo snel mogelijk willen werken samen, dan moet Josje alles alleen doen. Josje is immers in alles het snelste. Daar heeft Josje natuurlijk geen zin in.
  • Josje wil maximaal 4 uur in het huishouden besteden.
  • Hoe gaan Josje en Joris de taken verdelen op een manier waarop ze samen zo weinig mogelijk tijd kwijt zijn aan het huishouden
  • Als volgt:
uitleg1
Uitleg
  • Josje gaat dus de 1e drie uur besteden aan luiers verschonen omdat ze daarin relatief het snelst is (twee keer zo snel als Joris).
  • Het laatste uur besteedt zij aan stofzuigen.
  • Joris moet dan nog 1,5 uur stofzuigen.
hoofdstuk 6 oude dag
Hoofdstuk 6: oude dag
  • Oude dag: pensioen
  • Systeem met drie inkomensbronnen
    • AOW
    • Bedrijfspensioen
    • Zelf sparen
hoofdstuk 6 oude dag1
Hoofdstuk 6: oude dag
  • AOW: algemene ouderdomswet
  • Vanaf jaren 50 (trekken van Drees)
  • AOW rechten worden opgebouwd tussen je 15 en 65e: 2% van de totale uitkering voor elk jaar dat je in Nederland woont.
  • AOW: minimumuitkering van 70% van het minimumloon
  • Betaald via omslagstelsel: degenen die nu werken betalen premie voor de ouderen van nu.
  • AOW premie zit in 1e en 2e schijf
  • AOW uitgevoerd door Sociale Verzekeringsbank
hoofdstuk 6 oude dag2
Hoofdstuk 6: oude dag
  • AOW probleem: er zijn veel ouderen en weinig werkenden. Er zijn dus te weinig mensen die premies betalen voor teveel mensen die uitkering krijgen.
  • Grijze druk: aantal 65 plussers op de 100 mensen die kunnen werken. Is nu 22%, wordt 40%
  • Oplossingsmogelijkheden:
    • Lagere aow uitkering
    • Later aow uitkering
    • Hogere premies
  • We kiezen voor de 2e oplossing. Waarom????
hoofdstuk 6 oude dag3
Hoofdstuk 6: oude dag
  • De AOW-leeftijd is de leeftijd waarop het AOW-pensioen ingaat. U ontvangt het AOW-pensioen vanaf de dag waarop u uw AOW-leeftijd bereikt.
  • Per 1 januari 2013 is de AOW-leeftijd met 1 maand verhoogd. In de komende jaren gaat de AOW-leeftijd in stapjes omhoog. In 2019 is de AOW-leeftijd 66 jaar en in 2023 is dat 67 jaar. Vanaf 2024 wordt de AOW-leeftijd gekoppeld aan de levensverwachting.
hoofdstuk 6
Hoofdstuk 6
  • Aanvullend bedrijfspensioen (boven op aow)
  • Meeste Nederlanders betalen verplicht pensioenpremie voor een aanvullende pensioen voor later
  • Premies gaan naar pensioenfondsen. Deze fondsen beleggen het geld in aandelen, obligaties en onroerend goed
  • Premies inkomsten en opbrengsten van beleggen moeten voldoende zijn om pensioenuitkeringen te betalen (zie figuur 6.1 op pagina 91)
hoofdstuk 61
Hoofdstuk 6
  • Aanvullend pensioen is geen omslagstelsel, maar kapitaaldekkingsstelsel
  • Bij een dergelijk stelsel betaal je premie om op je oude dag een inkomen te hebben.
hoofdstuk 62
Hoofdstuk 6
  • Door crisis kwamen pensioenfondsen in problemen om de beleggingen in aandelen en onroerend goed minder opbrengen
  • Crisis komt tot uiting in dekkingsgraad pensioenfondsen
hoofdstuk 63
Hoofdstuk 6
  • Dekkingsgraad: geeft aan of het pensioenfonds aan toekomstige verplichtingen kan voldoen
  • Dekkingsgraad: (vermogen : contant gemaakte uitkeringen) x 100%
  • De verplichtingen van de pensioenfondsen liggen in de toekomst. Om de dekkingsgraad te berekenen moeten we de toekomstige uitkeringen vertalen naar waarde in het nu. Dat noemen we contant maken.
hoofdstuk 64
Hoofdstuk 6
  • Stel ik moet € 1.000 over 1 jaar betalen en de rente is 3%
  • De waarde van die € 1.000 nu is: € 1.000: 1,03 = € 970,87
  • Controle: als ik die € 970,87 nu op de bank zet met 3% rente dan is dat precies € 1.000
  • Dekkingsgraad moet minimaal 105% zijn
hoofdstuk 65
Hoofdstuk 6
  • Dekkingsgraad bij een vermogen van € 1.050
  • Dekkingsgraad = (€1.050: € 970,87) x 100% = 108,15%
  • Dat is meer dan 105% en voldoet dus aan de norm.
hoofdstuk 66
Hoofdstuk 6
  • Naast AOW en aanvullende pensioenen kunnen mensen ook zelf geld opzij zetten en beleggen voor hun pensioen.
  • Voor veel mensen is een koophuis een oudedagsvoorziening
opdrachten
Opdrachten
  • 6.4
  • 6.5
  • 6.6
opdracht 6 4
Opdracht 6.4
  • Omslagstelsel
  • Aantal 65 plussers stijgt relatief snel en aantal alleenstaanden 65 plussers neemt toe
  • Niets, want de aow uitkering is waardevast
  • Verwachte uitkering alleenstaande: 152/125 x € 10.300 = € 12.525 en gehuwden: 152/125 x € 7.200 = € 8.755
opdracht 6 41
Opdracht 6.4
  • Alleenstaanden: € 12.525 X (0,47 x 2.678.000) = € 15.764.716.000Gehuwden: € 8.755 x (0,53 X 2.678.000) = € 12.426.321.000
hoofdstuk 7 ruilen tussen generaties
Hoofdstuk 7: ruilen tussen generaties
  • Wat krijgen we van de overheid en wat moeten we betalen aan de overheid tijdens ons leven.
  • Als we jong zijn, betalen we weinig (premies en belastingen) en ontvangen we veel (zorg en onderwijs). We zijn netto ontvangers.
  • Dat geldt ook voor ouderen. Ze betalen relatief weinig en ontvangen veel (vooral voor zorg). Zie figuur 7.3.
hoofdstuk 7 ruilen tussen generaties1
Hoofdstuk 7: ruilen tussen generaties
  • De werkenden zijn de netto betalers.
  • Ze betalen voor de voorzieningen voor zichzelf en de ouderen en de jongeren.
  • Ze ontvangen alleen voor zichzelf.
demografische druk
Demografische druk
  • Demografische druk = groene druk + grijze druk
  • Groene druk: aantal jongeren tot 20 jaar als percentage van de bevolking tussen 20 en 65
  • Grijze druk: aantal ouderen vanaf 65 jaar als percentage van de bevolking tussen 20 en 65 jaar
hoofdstuk 7 ruilen tussen generaties2
Hoofdstuk 7: ruilen tussen generaties
  • Zolang de werkenden weten dat zij later ook netto ontvangers worden, is dit een houdbaar systeem
  • Hier ligt een probleem omdat de grijze en groene druk toeneemt. Er komen teveel jongeren en ouderen die moeten worden onderhouden door te weinig werkenden
  • De werkenden van nu betalen voor de huidige oudjes een voorzieningenniveau dat ze zelf niet meer krijgen
hoofdstuk 7 ruilen tussen generaties3
Hoofdstuk 7: ruilen tussen generaties
  • Hoe op te lossen:
    • Premies verhogen: rekening wordt bij werkenden nu en later gelegd. Hogere premies verhoogt lastendruk en dat willen we niet.
    • Uitkeringen verlagen: rekening wordt bij oudjes nu gelegd
    • Stimuleren van immigratie (meer werkenden die premie betalen)
    • Verhogen aow leeftijd(is wel solidair want werkenden van nu worden ouder en profiteren ook langer van aow)
    • Fiscaliseren aow, dwz deel aow wordt betaald uit belastinggeld. De ouderen betalen dan mee aan eigen aow (gebeurt nu ook al)
hoofdstuk 7 ruilen tussen generaties4
Hoofdstuk 7: ruilen tussen generaties
  • Hoe op te lossen:
    • Uitkeringen verlagen
    • Premies verhogen
    • Zorgen dat er meer werkenden komen die premie betalen. (immigratie, stimuleren arbeidsdeelname verhogen pensioenleeftijd)
    • Zorgen dat er minder pensioengerechtigden komen (verhogen pensioenleeftijd)
levensloop
Levensloop
  • Maken: 6.20 en 6.21
  • Maken: 7.10 en 7.11