Download
kenleer en wetenschapsfilosofie n.
Skip this Video
Loading SlideShow in 5 Seconds..
kenleer en wetenschapsfilosofie PowerPoint Presentation
Download Presentation
kenleer en wetenschapsfilosofie

kenleer en wetenschapsfilosofie

187 Views Download Presentation
Download Presentation

kenleer en wetenschapsfilosofie

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - E N D - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
Presentation Transcript

  1. kenleerenwetenschapsfilosofie Epistemologie (of kenleer) en wetenschapsfilosofie hangen samen, want wetenschap is een verzameling geleidelijk ontwikkelde methoden waarmee we betrouwbare kennis opbouwen. Ik begin met een kort stukje geschiedenis.

  2. kenleer

  3. nieuwe wetenschap De vraag hoe het mogelijk is dat mensen op eigen kracht betrouwbare kennis verwerven werd acuut toen in de 16de en 17de eeuw opzienbarende ontdekkingen werden gedaan, zoals die van Copernicus (1473-1543), Vesalius (1514-1564), Galileï (1564-1642), Newton (1643-1727), e.a. De eerste antwoorden waren twee tegengestelde theorieën: rationalisme en empirisme.

  4. rationalisme Betrouwbare kennis wordt uitsluitend door het denken gevormd, door middel van de rede of ratio. Dat is mogelijk omdat de menselijke geest de logische structuur van de wereld ‘weerspiegelt’. De belangrijkste rationalisten waren René Descartes (1596-1650) Baruch de Spinoza (1632-1677) Gottfried Wilhelm Leibniz (1646-1716) Christoph Bernhard Francke Gottfried Wilhelm Leibniz ca. 1700

  5. empirisme De enige bron van kennis en ideeën is de ervaring. De empirie is de zintuiglijk waarneembare werkelijkheid. Belangrijke empiristen waren John Locke (1632-1704) David Hume (1711-1776) Sir Godfrey Kneller John Locke 1697 detail

  6. synthese Immanuel Kant (1724-1804) schiep een synthese van beide stromingen, maar met sterke nadruk op de rede. Immanuel Kant ca. 1790 Gravure naar een schilderij van Gottlieb Döbler

  7. epistemologie Epistemologie, kenleer of kennisleer zijn synoniemen. Epistèmè is het Griekse woord voor kennis. Plato maakte een onderscheid tussen echte kennis (epistèmè) en opinie, mening (doxa). Aristoteles maakte een onderscheid tussen wetenschappelijke kennis (epistèmè) en praktische kennis (technè en phronesis). Beide onderscheiden komen in het volgende terug, in andere bewoordingen

  8. kennis Wat is kennis? Er is een—al oude—standaarddefinitie: kennis is ‘gerechtvaardigde ware mening’ in het Engels justified true belief (vaak afgekort tot ‘jtb’).

  9. mening Iets over de terminologie. Ik gebruik het woord ‘mening’; vaak wordt ook ‘overtuiging’ gebruikt. Dat woord wordt vaak in verband gebracht met ‘geloven’, en geloven speelt in de epistemologie geen rol. Het Engelse to believe heeft die connotatie met het geloof nog sterker. ‘Mening’ is aan de andere kant weer wat zwak. Je kunt overtuigd zijn van je mening, zo iets is de bedoeling. Kennis is namelijk niet zomaar een mening: het begrip drukt meer uit dan een vermoeden of een hypothese, en helemaal geen fantasie.

  10. waar(heid) Kennis is een ware mening: je kunt van iets overtuigd zijn. Ik kan bijvoorbeeld van mening zijn dat het buiten regent, omdat iemand deze ruimte binnenkomt in een kletsnatte jas. Het regent echter niet, die persoon is het slachtoffer geworden van een zeer onnauwkeurig sproeiende tuinier. In dit geval is er dus geen sprake van kennis, want mijn mening is niet waar: het regent helemaal niet. Ik kom zo dadelijk terug op het waarheidsbegrip.

  11. gerechtvaardigd Kennis is niet alleen ware mening, die mening moet ook gerechtvaardigd zijn. ‘Gerechtvaardigd’ betekent dat een ware mening op een correcte manier gevormd is. Wat is rechtvaardigen? Deze antwoorden zijn gegeven: goede redenen hebben, redelijke overwegingen maken, een betrouwbare basis hebben, goede bewijsvoering leveren, waarnemen, niet gokken. Iemand zegt: “Ik weet dat Ajax gisteren heeft verloren, want ik heb jeuk aan mijn neus; als Ajax verloren heeft, heb ik altijd jeuk aan mijn neus”. Stel dat Ajax inderdaad heeft verloren, dan is de uitspraak over Ajax waar, maar weinig mensen zullen zeggen dat hier sprake is van kennis die berust op een goede reden.

  12. Gettier In een heel kort artikel in het tijdschrift Analysis (1963) gaf de Amerikaanse filosoof Edmund Gettier (1927) enkele voorbeelden waarmee hij de jtb-definitie van kennis op losse schroeven zette. Volgens Gettier is de jtb-definitie niet onjuist, maar onvolledig. Zij moet worden aangevuld. Dat is tot op heden gebleven bij pogingen; de Gettier-gevallen behoren tot de meest bediscussieerde onderwerpen in de hedendaagse filosofie.

  13. een Gettier-geval Op weg naar een afspraak kijk ik naar een klok. Het is twaalf uur; ik ben keurig op tijd. Wat ik niet weet, is dat die klok kapot is en helemaal niet loopt. De wijzers staan al drie weken op twaalf uur. Toevallig was het precies op het moment dat ik naar de klok keek twaalf uur. Ik heb dus het juiste kennisoordeel geveld: het was twaalf uur. Berust die kennis op de juiste rechtvaardigingsmethode? Nee, want de klok liep helemaal niet. Maar dat wist ik niet! Stel dat ik er nooit achter zou zijn gekomen dat de klok kapot was, kan ik dan terecht zeggen dat ik kennis had van de juiste tijd op het moment dat ik op de klok keek?

  14. waarheid; theorieën • De drie belangrijkste theorieën over wat waarheid is, zijn: • de correspondentie theorie • de coherentie theorie • de pragmatische theorie

  15. waarheid Eerst dit: Waarheid is een eigenschap van meningen die worden gegeven in uitspraken, in beweringen. De zin “de bal die op die tafel ligt, is waar” in onzin. De zin: “er ligt een bal op de tafel” kan waar of onwaar zijn.

  16. correspondentie-theorie Een mening of uitspraak is waar indien er een feit bestaat waarmee deze correspondeert. De uitspraak waarin die mening wordt geuit ‘is het geval’. Voorbeeld De uitspraak “het regent hier nu” is waar indien het hier en nu regent; in andere gevallen is de uitspraak onwaar. Deze theorie lijkt wel erg voor de hand te liggen en geen problemen op te leveren, maar dat is schijn.

  17. feit? Volgens deze theorie wordt waarheid toegekend aan een uitspraak vanwege het vermogen van die uitspraak een feit te representeren of af te beelden. Waarop berust die aanname? Om op die vraag een antwoord te kunnen geven, moet eerst bekend zijn wat we bedoelen met het woord ‘feit’. Ik kan niet ingaan op deze discussie; ik noem een aspect.

  18. bezwaren Vaak wordt een feit opgevat als een structuur of arrangement van dingen in de wereld. Ludwig Wittgenstein heeft ooit (ergens) de opmerking geplaatst dat structuren ruimtelijk gelokaliseerd zijn, ze ‘zijn’ ergens. Dat geldt niet voor feiten, zei hij. Hij gaf dit voorbeeld. Je kunt de Eiffeltoren verplaatsen van Parijs naar Zutphen, maar je kunt het feit dat de Eiffeltoren nu in Parijs staat niet ergens anders heen verplaatsen. Wittgenstein heeft hiermee duidelijk gemaakt dat we het woord feit, zoals zoveel woorden, ondoordacht gebruiken.

  19. ander bezwaar De feiten in een bepaald geval (denk bijvoorbeeld aan een rechtszaak) staan niet los van de oprechte meningen (overtuigingen) over het geval in kwestie; feiten zijn wat mensen als de waarheid aannemen. Het is niet zo dat mensen eerst een mening of een theorie over iets vormen en vervolgens, in een ander proces, als het ware ‘uit die mening stappen’ om te bekijken of die wel klopt met de feiten. Er zijn wel processen waarin we meningen verifiëren, maar die leveren nieuwe meningen en waarnemingen op, waarmee we die eerste mening beoordelen. Daarmee begint een nieuw, vergelijkbaar, proces, dat hetzelfde probleem oplevert, en zo voort.

  20. vergelijkbaar bezwaar Een vergelijkbaar bezwaar is het volgende. Als we iets onderzoeken, dan is het niet de wereld of zijn het niet de feiten die onze meningen over dat ‘iets’ vormen, maar hoe we de wereld interpreteren en de feiten selecteren en conceptualiseren, dat wil zeggen: begrippen vormen die naar die feiten verwijzen.

  21. coherentie-theorie Een uitspraak is ‘waar’ wanneer deze coherent is met een systeem van ware uitspraken. • Anders gezegd: waarheid is een eigenschap die van toepassing is op elke verzameling consistente uitspraken. Daarvan afgeleid is waarheid een eigenschap van elke uitspraak in een dergelijke verzameling, wanneer deze coherent is met alle uitspraken die samen het totale systeem vormen. Waarheid wordt volgens deze theorie beschouwd als een kenmerk van het gehele lichaam van meningen, als dit wordt opgevat als een systeem van logisch samenhangende onderdelen, het zogenaamde ‘web van meningen’.

  22. coherentie-theorie Deze theorie gaat uit van evidente waarheden (zoals Descartes’ Cogito ergo sum). Deze evidente waarheden bieden een fundament voor andere uitspraken. Waarheid berust volgens deze theorie op cohesie of samenhang; de evidente waarheid ‘geeft’ zijn waarheid als het ware ‘door’ aan andere uitspraken.

  23. bezwaren Een tekortkoming van deze theorie is de suggestie die ervan uitgaat dat mensen opgesloten zitten in hun meningen en niet in staat zijn iets te weten te komen over de wereld buiten hun denken. De Engelse filosoof Bertrand Russel (1872-1970) merkte op dat het volgens deze theorie mogelijk is dat er meerdere kennissystemen naast elkaar bestaan, die allemaal intern coherent zijn, maar ten opzichte van elkaar onverenigbaar. Volgens Russel kan er dan hooguit maar één waar zijn.

  24. pragmatische theorie Hier volgen vier omschrijvingen van deze theorie: De waarheid van een uitspraak wordt bepaald door de praktische consequenties die deze heeft. Waarheid is de verificatie van een bewering. Waarheid is de succesvolle uitwerking van een idee in de werkelijkheid. Simpel gezegd: waarheid is wat werkt. Deze theorie (en het pragmatisme in het algemeen) is ontstaan in de USA en wordt nog steeds vooral daar onderschreven.

  25. pragmatisme Voor pragmatisten zijn ideeën instrumenten en actieplannen, geen ‘kopieën’, replica’s of impressies van externe objecten. Ideeën hebben een functioneel karakter, het zijn suggesties en anticipaties op mogelijk handelen, hypotheses of een vooruitblik op de gevolgen van een actie. Het zijn manieren om de wereld te organiseren. Ideeën zijn instrumenten: efficiënt, nuttig, waardevol ... of niet, als ze niet blijken te werken.

  26. William James Een bekende pragmaticus uit de USA, de filosoof en psycholoog William James (1842-1910), zei dat de volgende zinnen hetzelfde betekenen: Het is nuttig, omdat het waar is. Het is waar, omdat het nuttig is. De meeste geleerden zijn het echter niet eens met deze gelijkstelling.

  27. bezwaren James maakt het door deze gelijkstelling mogelijk dat een idee voor de ene persoon waar is, d.w.z. nuttig of doelmatig, en voor iemand anders onwaar, namelijk niet nuttig of niet doelmatig. Men vindt ook dat James de notie waarheid reduceert tot een subjectieve weergave van de meningen die iemand willekeurig al dan niet onderschrijft of nuttig acht om te geloven. Het begrip ‘waarheid’ verliest zo aan betekenis of zinvolheid.

  28. scepticisme Er zijn allerlei vormen van scepticisme; ik bespreek hier het scepticisme over het bestaan van de externe wereld. U zit naar een op een scherm geprojecteerde tekst te kijken, ik hoop dat u naar mij luistert. Maar zijn dat scherm en ik werkelijk in die zin dat scherm en ik bestaan buiten u? Of bestaan we enkel in uw bewustzijn, als zintuigelijke indrukken en ideeën? Scepticisme in de vorm van de mogelijkheid dat de wereld zoals wij die menen te kennen niet bestaat, lijkt niet uit te sluiten; sterker nog, er lijkt zelfs geen enkele reden te geven om te geloven dat zij wel bestaat. Kijk mee en huiver!

  29. hersenen in een vat Een waanzinnige geleerde heeft uw hersenen uit uw hoofd gehaald en in een vat geplaatst, zodanig dat ze in leven blijven en kunnen functioneren.

  30. hersenen in een vat Uw hersenen zijn aangesloten op een krachtig computerprogramma dat alles wat u denkt te denken, te voelen, te doen, mee te maken, et cetera, simuleert. Hoe kunt u weten of dit al dan niet waar is? Dit gedachte-experiment ligt ten grondslag aan de Matrix-films.

  31. naturalistische kenleer Naturalisme houdt in dat de wereld min of meer zo is zoals de natuurwetenschappen ze beschrijven. Er is niets ‘voorbij de natuur’: geen God, geen transcendente categorieën of fenomenen, geen Platoonse Ideeënwereld. Naturalisme berust op vertrouwen in de wetenschap en de overtuiging dat die ook instrumenteel is bij het onderzoeken en verklaren van alle aspecten van deze wereld, inclusief het ‘leven van de geest’, ideeën die wij ‘in ons hoofd’ hebben. Naturalisten verwerpen filosofische methoden die gebaseerd zijn op intuïtie of het idee dat we iets kunnen zeggen over onszelf en onze wereld enkel en alleen door er ‘diep’ over na te denken.

  32. bezwaren • Uiteraard hebben theïsten bezwaren tegen het naturalisme, dat elke gedachte aan het bovennatuurlijke verwerpt. Er worden ook bezwaren geopperd door niet-theïstische filosofen. Sommige analytische filosofen denken dat de filosofie heel goed zonder de inmenging van wetenschappelijke methoden toe kan. Een naturalist moet zich zeker de vraag stellen of filosofie wetenschap moet worden, met als gevolg dat de filosofie wordt opgeheven. Is er nog wel een plaats voor de filosofie in deze tijd? Als dat wél het geval is: wat is dan het doel van die hedendaagse filosofie? Naar mijn mening is dit een nuttig bijproduct van het naturalisme.

  33. evolutionaire kenleer Evolutionaire epistemologie is een onderdeel van de naturalistische epistemologie. De gedachte is dat de evolutie van de mens ons kan helpen te begrijpen hoe menselijke kennis mogelijk is. Kennis heeft een biologisch-praktische oorsprong en speelt een onmisbare rol zowel in het overleven van individuen, als in het overleven van de soort. Pouwel Slurink formuleert dit zo: Kennis is alleen iets waard als het kan worden omgezet in beslissingen die je honger en pakkans verminderen en je nageslacht doen toenemen.

  34. wetenschapsfilosofie

  35. de beste kennis Volgens wetenschapsfilosoof Ton Derksen (bekend van o.a. de rechtsgang rond Lucia de B.) leveren de wetenschappen ons, ondanks alle problemen die er mee verbonden zijn, “de beste kennis die we hebben”. Hij zegt in zijn boek Wetenschap of Willekeur De prestaties van de wetenschappen zijn indrukwekkend genoeg. Het is de beste kennis die we hebben.

  36. probleempje Heeft Derksen gelijk? Met name in de 20e eeuw is gebleken dat een eenduidig antwoord op de vraag “Wat is wetenschap?” moeilijk te geven is. De wetenschapsfilosofie heeft zich over deze vraag gebogen en is tot de opmerkelijke conclusie gekomen dat we eigenlijk niet goed weten wat wetenschap tot wetenschap maakt! Hoe is dit te rijmen met de opvatting van Derksen (die ook de mijne is)? Ik zal laten zien hoe die discussie is verlopen. Maar eerst dit …

  37. alternatieven? godsdienst antroposofie astrologie psycho-analyse

  38. pseudowetenschappen? Het is niet moeilijk een hele waslijst van alternatieve aanspraken op kennis te geven; dit is een greep: grafologie – tarot – karma – rorschachtest – acupunctuur – bachbloesentherapie – homeopathie – osteopathie – alchemie – mayavoorspellingen – psychokinese – amulet – vitalisme – channeling – nieuwe tijd-kinderen – metafysica

  39. niet zeker Wat wetenschap onderscheidt van veel van de genoemde en andere aanspraken op kennis is dat wetenschap niet pretendeert zekere kennis te verschaffen. Wetenschap geeft ons niet ‘de waarheid’ of ‘De Waarheid’. Wetenschap geeft in een bepaalde historische periode plausibele verklaringen voor verschijnselen. In grote lijnen werkt wetenschap aldus (de ‘cirkel van wetenschap’):

  40. de cirkel van wetenschap THEORIE MODEL HYPOTHESE WAARNEMEN inductie evalueren (falsificatie/verificatie) deductie experiment toetsen RESULTAAT VOORSPELLEN

  41. demarcatie • Derksen zegt in Wetenschap of willekeur dat pseudowetenschappen op bepaalde punten op wetenschappen lijken, want ze • geven verklaringen • beroepen zich op empirische feiten • leveren een theorie • laten samenhang zien Hoe kunnen we wetenschap herkennen, waaruit bestaat het verschil tussen wetenschap en pseudowetenschap precies? Dit demarcatieprobleem is in de vorige eeuw intensief bediscussieerd. Uiteraard zijn er verschillende antwoorden gegeven.

  42. verificatie Volgens het logisch-empirisme van de Wiener Kreis, een groep wetenschappers en wetenschapsfilosofen rondom Moritz Schlick, Otto Neurath en Rudolf Carnap “is een hypothese wetenschappelijk wanneer die hypothese bevestigd kan worden door middel van de zintuiglijke waarneming”. (Zo staat het in de Wissenschaftliche Weltauffassung der Wiener Kreis uit 1929) Deze opvatting lijkt op het eerste gezicht misschien overtuigend te zijn, er kleven wel bezwaren aan.

  43. bezwaar Een wetenschappelijke theorie is toepasbaar op alle gevallen waar die theorie over gaat; zo’n theorie doet een oneindig aantal voorspellingen. Die zijn onmogelijk allemaal te toetsen. Een heel simpele minitheorie is al niet te verifiëren. Neem bijvoorbeeld de theoretische uitspraak: “Alle zwanen zijn wit”. Wie deze theorie wil verifiëren, moet een oneindig aantal waarnemingen doen. De theorie geldt namelijk voor het verleden, het heden en de toekomst.

  44. inductieprobleem Als je 189 keer een witte zwaan hebt gezien, weet je nooit zeker of dat de 190ste ook het geval zal zijn, en zo voort. Dit probleem heet het inductieprobleem. Inductie is het afleiden van een algemene uitspraak uit een beperkt aantal waarnemingen en dat leidt niet tot zekere kennis. De status van wetenschap werd aangetast!

  45. confirmeren? Men zocht naar een oplossing. Verifieerbaarheid werd afgezwakt tot confirmeerbaarheid (bevestigen) en waarheid tot waarschijnlijkheid. Maar ook dan blijft het probleem bestaan, want het aantal gevallen (waarnemingen) op basis waarvan je een universele uitspraak probeert te confirmeren is altijd onnoemelijk veel kleiner dan het aantal gevallen waar die universele uitspraak over gaat.

  46. falsificatie 1 Er is een theorie: “Alle zwanen zijn wit”. 2 Er wordt een waarneming gedaan: 3 De theorie is weerlegd en moet worden herzien (eventueel laat men de hele theorie vallen, maar dat gebeurt nooit).

  47. Karl Popper Het begrip ‘falsificeren’ wordt doorgaans (en terecht) verbonden met de Oostenrijks-Engelse filosoof Karl Popper, die in The Logic of Scientific Discovery (1935) dit begrip gebruikte als demarcatie tussen wetenschap en pseudowetenschap. 1902-1994

  48. bezwaren Ook tegen falsificatie als demarcatiecriterium valt wel wat in te brengen. 1 Het is veelgevraagd om een wetenschapper op te dragen een theorie zodanig te formuleren dat die formulering uitnodigt de theorie te weerleggen. 2 Wetenschappers werken helemaal niet zo; denk aan de speurtocht naar het Higgs-deeltje. 3 Ook pseudowetenschappelijke theorieën zijn te falsifiëren.

  49. in de vuilnisbak? Niet totaal, want het element van kritiek, dat de kern uitmaakt van deze theorie, is een onmisbaar ingrediënt van wetenschappelijk werk. Mensen—en wetenschappers zijn mensen—zijn feilbaar. Kennis komt niet vanzelf tot stand, maar met vallen en opstaan, via trial and error.

  50. Thomas Kuhn De wetenschapshistoricus Thomas Kuhn (1922-1996) kwam vervolgens in The Structure of Scientific Revolutions (1962/1970) met een radicaal andere visie op wetenschap, die van grote invloed was op de debatten. De geschiedenis van de wetenschap, zei Kuhn, laat een reeks van elkaar opvolgende paradigma's zien, met daar tussenin zogenaamde wetenschappelijk revoluties. Paradigma's zijn grote complexen van samenhangende hypothesen, intern consistent maar onderling niet. Het ene paradigma wisselt het andere af, en telkens heeft men weer een andere visie op wat goede wetenschap en betrouwbare kennis is. • Twee conclusies • er zijn geen criteria waarmee we kunnen beslissen wat de beste visie is; • wetenschappelijke vooruitgang bestaat niet.