1 / 40

Hoofdstuk 4 Moleculaire stoffen

Hoofdstuk 4 Moleculaire stoffen. 4.2 Vanderwaalsbindingen. VanderWaalsbindingen (F vdw ). Aantrekkende krachten tussen moleculen Er geldt in het algemeen: Hoe groter de molecuulmassa, hoe sterker de Vanderwaalsbindingen, hoe hoger het smelt,- kookpunt. Wanneer worden F vdw verbroken?.

rico
Download Presentation

Hoofdstuk 4 Moleculaire stoffen

An Image/Link below is provided (as is) to download presentation Download Policy: Content on the Website is provided to you AS IS for your information and personal use and may not be sold / licensed / shared on other websites without getting consent from its author. Content is provided to you AS IS for your information and personal use only. Download presentation by click this link. While downloading, if for some reason you are not able to download a presentation, the publisher may have deleted the file from their server. During download, if you can't get a presentation, the file might be deleted by the publisher.

E N D

Presentation Transcript


  1. Hoofdstuk 4 Moleculaire stoffen

  2. 4.2 Vanderwaalsbindingen

  3. VanderWaalsbindingen(Fvdw) • Aantrekkende krachten tussen moleculen • Er geldt in het algemeen: Hoe groter de molecuulmassa, hoe sterker de Vanderwaalsbindingen, hoe hoger het smelt,- kookpunt.

  4. Wanneer worden Fvdw verbroken? • Bij een fase-overgang spelen alleen de Fvdw een rol Bijvoorbeeld: verdampen Als een stof verdampt worden de Fvdw verbroken. De atoombindingen blijven heel. Bij een chemische reactie worden er ook atoombindingen verbroken.

  5. Kookpunten moleculaire stoffen CH4 heeft een massa van 16 u en een kookpunt van 112K H2O heeft een massa van 18 u en een kookpunt van 373 K Hoe kunnen we dit verklaren?

  6. Binding tussen twee atomen De atoombinding tussen twee atomen in een moleculaire stof wordt gevormd door een gemeenschappelijk elektronenpaar tussen die twee atomen. In sommigegevallentrekt het eneatoom harder aan het elektronenpaardan de andere. Eronstaatdaneenkleineladingsverschuiving. Dit is het gevalbijO-H en N-H.

  7. Polaire moleculen Moleculen met eenladingsverdelingnoemen we polair. De atoombindingnoemen we dan: polaireatoombinding Dezepolaireatoombindingenzorgenvooreen extra binding tussen de moleculen. DezebindingenzijnsterkerdanVanderwaalsbindingen

  8. Waterstofbruggen Extra binding TUSSEN de moleculen. Bij O-H en N- H. Hoe meer –OH of –NH hoe hoger het kookpunt

  9. Tekenen van H- bruggen

  10. Bindingen In een molecuul: - Atoombinding (polair of apolair) Tussen moleculen: - Vanderwaals (altijd) - Waterstofbrug (OH of NH)

  11. Voorbeelsommen Kookpunt Methanal wordt meestal bereid uit methanol. Het kookpunt van methanal (254 K) is aanmerkelijk lager dan het kookpunt van methanol (338 K). Verklaar het verschil in kookpunt aan de hand van de gegeven structuren

  12. Chloor is bij kamertemperatuur een gas met formule Cl2. • We koelen chloorgas af tot het vloeibaar wordt. • Leg uit welke bindingstypen voorkomen in • vloeibaar chloor. • Water is bij kamertemperatuur een vloeistof met formule H2O. • Welke bindingstypen komen voor in vloeibaar • water?

  13. 3 Teken drie moleculen van vloeibaar water. Geef in je tekening de in vorige vraag genoemde bindingstypen aan. 4 De molecuulmassa van chloor is bijna vier maal zo groot als de molecuulmassa van water. Toch is water bij kamertemperatuur een vloeistof en chloor een gas. Geef hiervoor een verklaring.

  14. 4.4 Mengsels van moleculaire stoffen • Hydrofiel (“houden van water”) Lossen op in water Bevatten een OH- of een NH-groep, zodat ze een H-brug kunnen vormen met water

  15. Ethanol is hydrofiel Glycerol

  16. Pentaan is een hydrofobe stof “Angst voor water”

  17. Oplosbaarheid Het aantal gram stof dat maximaal kan oplossen in een bepaalde hoeveelheid oplosmiddel bij een bepaalde temperatuur.

  18. Oplosbaarheid Bij gassen daalt de oplosbaarheid als de temperatuur stijgt! Bij vaste stoffen stijgt de oplosbaarheid. Indien het water te warm is kan er minder zuurstof in oplossen en zullen de visjes sterven door zuurstofgebrek! 19

  19. Verzadigde oplossing • Exact de maximale hoeveelheid van een stof opgelost. • “Er kan niets meer bij”

  20. Oplosbaarheid creatine in water Creatine wordt door sporters gebuikt om hun prestaties te verbeteren Voorbeeld Opgave Jan doet 20 gram creatine in 100 gram water van 20°C. Lees uit het diagram af of Jan een verzadigde of onverzadigde oplossing heeft! Dan verwarmt hij het bekerglas tot 50°C. Wat neemt hij waar? Is zijn oplossing bij 50°C verzadigd of onverzadigd? Oplosbaarheid creatine per 100 gram water Verzadigde oplossing Onverzadigde oplossing 21

  21. Mengen moleculaire stoffen onderling? • Hydrofiele stoffen mengen onderling goed • Hydrofobe stoffen mengen onderling goed • Hydrofiele stoffen mengen slecht met hydrofobe stoffen

  22. Mengsels • Oplossing Een oplossing is altijd helder en soms gekleurd. De suikermoleculen gaan tussen de watermoleculen bewegen. We noemen dit een moleculaire verdeling

  23. Mengsels • Suspensie Mengsel van een vloeistof waarin kleine vaste korreltjes (die niet oplossen) zweven. Omdat je deze korrels ziet is een suspensie nooit helder. Voorbeelden: verf, krijt in water

  24. Mengsels • Emulsie Mengsel van een hydrofiele vloeistof waarin kleine druppels van een hydrofobe vloeistof zweven of omgekeerd. (mayonaise) Emulgator: Zorgt ervoor dat olie en water wel mengen

  25. Nevel Fijne druppels vloeistof in een gas Rook Fijne vaste zwevende deeltjes in gas Schuim Fijn verdeeld gas in een vloeistof

  26. Oplosvergelijking Bijvoorbeeld: oplossen van suiker in water. SUIKER (s) SUIKER (aq) C6H12O6 (s)  C6H12O6 (aq)

  27. Scheikunde Herhaling 4.4 Paragraaf 4.5 Huiswerk: bladzijde 124/ 125 : 41 + 43 + 44 + 46 + 49

  28. 4.5 De samenstelling van een mengsel

  29. Percentage (%) • Aantal delen van een stof per 100 delen mengsel • hoeveelheid stof X ∙ 100 % hoeveelheid mengsel • Procenten worden gebruikt als het gehalte van een stof vrij hoog is. • Het maakt niet uit of de hoeveelheid stof in een massa-eenheid of in volume-eenheid wordt uitgedrukt

  30. Promillage (‰) • Aantal delen van een stof per duizend delen mengsel • hoeveelheid stof X ∙ 1000 ‰ hoeveelheid mengsel • Wat is het verschil tussen massapromillage en volumepromillage?

  31. ppm • Het aantal delen van een stof in een mengsel per miljoen delen mengsel • hoeveelheid stof X ∙ 106 ppm hoeveelheid mengsel • Je genruikt ook hier massa- ppm en volume- ppm.

  32. Oefenopdrachten 1. Het massapercentage vet in Becel light is 30%. Hoeveel vet bevat de hoeveelheidBecel light (2,0 g) waarmee je eenboterhambesmeert?

  33. Antwoord: • 30 % betekent: 30 gram vet per 100 gram x gram vet per 2,0 gram x= (2,0 ∙ 30) / 100= 0,60 gram In 2,0 gram Becel light zit 0,60 gram vet.

  34. 2. In 100 gram tonijn zit 20 microgram vitamine B12.Hoeveel massa-ppm vitamine B12 bevat de tonijn?

  35. Eerst zorgen dat de hoeveelheid B12 en de hoeveelheid tonijn in dezelfde massa-eenheid worden uitgedrukt! Dan invullen in de formule: 20∙10-6 / 100 ∙ 106= 0,2 ppm

  36. Opdracht: Omschrijfonderstaandebegrippen in je schrift: MAC- waarde ADI- waarde LD50

  37. MAC- waarde • De Maximaal Aanvaardbare Concentratie van een stof in de lucht (mg/ m3). • Grenswaarde

  38. ADI-waarde • Aanvaardbare dagelijkse inname van een stof per dag per kg lichaamsgewicht.

  39. LD50 De hoeveelheid stof in µg per kg lichaamsgewicht die binnen een bepaalde tijd de dood veroorzaakt van de helft van de proefdieren.

More Related