13.
This presentation is the property of its rightful owner.
Sponsored Links
1 / 71

13. PowerPoint PPT Presentation


  • 141 Views
  • Uploaded on
  • Presentation posted in: General

13. Het verkrijgen van eigendom Eindversie. Inhoud. Het begrip eigendomsverkrijging Overdracht van eigendom Verkrijging van eigendom door verjaring. Begrip eigendomsverkrijging (1).

Download Presentation

13.

An Image/Link below is provided (as is) to download presentation

Download Policy: Content on the Website is provided to you AS IS for your information and personal use and may not be sold / licensed / shared on other websites without getting consent from its author.While downloading, if for some reason you are not able to download a presentation, the publisher may have deleted the file from their server.


- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - E N D - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Presentation Transcript


13

13.

Het verkrijgen

van eigendom

Eindversie


Inhoud

Inhoud

  • Het begrip eigendomsverkrijging

  • Overdracht van eigendom

  • Verkrijging van eigendom door verjaring


Begrip eigendomsverkrijging 1

Begrip eigendomsverkrijging (1)

  • Volgens art. 711 en 712 B.W. wordt eigendom verkre-gen door erfopvolging, schenking, testament, verbin-tenis, natrekking en verjaring

  • In de vakliteratuur maakt men meestal een onderscheid tussen natuurlijke of originele vormen van eigendoms-verkrijging, waarbij de eigendom van geen vorige eige-naar komt (toeëigening, vruchttrekking, natrekking), en dirivatieve vormen van eigendomsverkrijging of de eigendomsoverdracht, waarbij de eigendom van een vorige eigenaar komt , met alles erop en eraan

    • Bij deze laatste vorm wordt dan meestal de regel gefor-muleerd van Nemo plus iuris ad aliumtransferrepotest, quamipsehabet(Niemand kan meer recht aan een andere overdragen dan hij zelf heeft: D., 50, 17, 54)


Begrip eigendomsverkrijging 2

Begrip eigendomsverkrijging (2)

  • Wij vatten deze verschillende vormen van eigen-domsverkrijging samen in het hiernavolgend betoog uitgaande van de volgende heel praktische vraag die de rechter in het laatromeinse recht bij een eigen-domsproces stelde : “Eiser, u vraagt een revindicatie om uw goed terug te krijgen, maar hoe is dat goed in uw familia terechtgekomen?”

  • Het antwoord was dan meestal 1° via overdracht, en soms 2° via verjaring. Heel, heel uitzonderlijk zal de eiser geantwoord hebben via 3° toe-eigening, 4° vruchttrekking, 5° zaaksvorming en 6° natrekking. Wij handelen daarom alleen 1° en 2°


Overdracht van eigendom

Overdracht van eigendom

  • Het voorkomende antwoord was dus :

    “Eerlijk overgedragen vanuit een andere fami-lia”

  • Deze overdracht moest wel “eerlijk” verlo-pen zijn. De rechter lette hiervoor op 5 punten 


Vijf aandachtspunten voor een eerlijke overdracht

 Vijf aandachtspuntenvoor een eerlijke overdracht

  • Rechtspositie van de vervreemder : hij moest zelf dominus (eigenaar) zijn, zij het met 1 uitzondering zijnde de pandhouder

  • Statuut van de vervreemder : hij moest wel suiiuriszijn (samen beschikkingsbevoegdheid)

  • Statuut van de verkrijger : hij moest ook dominium kunnen verkrijgen (niet noodzakelijk suiiuriszijn!)

  • Een titel : er moest soms een geldige reden (iustacausa) zijn voor de overdracht

  • Geldige leveringshandeling: er waren soms een formele(mancipatio en in iurecessio) of een feite-lijke(traditio) handeling nodig


Erkende wijzen van overdracht in het romeinse recht

Erkende wijzen van overdracht in het Romeinse recht

  • Het Romeinse recht kende volgende courante wijzen van overdracht van dominium :

    • Het vindicatielegaat : de legataris kreeg revindi-catie bij het openvallen van de nalatenschap. Een levering was hier niet nodig

    • Adiudicatio : de toewijzing in een vonnis

    • Mancipatio: formele overdracht 

    • In iurecessio: formele overdracht 

    • Traditio: informele overdracht of levering 

  • Wij behandelen alleen de laatste drie


Mancipatio 1

Mancipatio (1)

  • Was een rechtshandeling waarbij iemand op de markt, ten overstaan van de officiële muntweger en in aanwe-zigheid van 5 getuigen, verklaarde dat (een persoon of) een goed tot zijn familia behoorde. Daarna tikte de ver-krijger met een muntje tegen de weegschaal. Als de vorige paterfamilias erbij stond en niet reageerde, verloor hij zijn dominium

  • Tegenover de vorige dominus (voorman) kreeg de nieu-wedominus (verkrijger) van oudsher 1° usus(gebruiks-recht) en 2° auctoritas, d.w.z. vrijwaring voor uitwinning. Als de verkrijger in een revindicatieproces werd betrok-ken, kon hij de voorman met een actio ex auctoritatein het proces betrekken en het dubbele van de waarde van het goed krijgen als hij het revindicatieproces verloor


Mancipatio 2

Mancipatio (2)

  • Al in de Twaalf tafelenwet was die vrijwaring beperkt tot 2 jaar voor grond en 1 jaar voor andere goederen. Na afloop van die termijnen was het voor een verkrijger dus niet meer nodig een beroep op de auctoritas van de voorman beroep te doen; hij kon volstaan met zich op zijn usus gedurende die tijd te beroepen (oorsprong van de usucapio, verjaring, zie verder)

  • Naast het regelen van de usus en de auctoritas van de voorman ten behoeve van de verkrijger speelde mettertijd ook 3° een publiciteitsaspect mee. Toen men het begrip dominium op de voorgrond ging plaatsen om de positie aan te duiden van de verkrijger die zich met succes tegen de aanspraken van alle derden kon verweren, ging men de mancipatio meer en meer gaan zien als een louter formele wijze voor het verkrijgen van dominium. In een revindicatieproces kon de verweerder de mancipatio inroepen en daarmee de eis van elke derde afwimpelen.


  • Mancipatio 3

    Mancipatio (3)

    • Daarbij werd nooit naar het waarom van de verkrijging geke-ken: mancipatio was en bleef een zuiver formele rechts-handeling : er was geen titel of bezitsverschaffing nodig

    • In het late keizerrijk werden mancipatieteksten opgesteld en verdween het ritueel van het muntgetik

    • Oorspronkelijk was de mancipatio de formele leveringshande-ling bij verkoop-koop van goederen die de Romeinse paterfa-milias economisch zeer belangrijk vond (resmancipi) tegen metaal dat moest worden afgewogen. Toen men gemunt geld invoerde was het wegen niet meer nodig en kon de manci-patio ook de formele leveringshandeling worden voor schen-king, borgstelling enz.

    • Het verdwijnen van de resmancipials onderscheidingssoort van goederen deed ook de mancipatioverdwijnen. Justinianus schafte ze af


    In iure cessio afstand voor het gerecht

    In iurecessio( = afstand voor het gerecht)

    • De in iurecessiowas een vorm van willige of fictieve rechtspraak waarbij de vervreemder en de verwerver ver-schenen voor de praetor/keizerlijke rechter en de eerste het goed (met een specifieke formule) opeiste en de andere bleef zwijgen. Op grond van deze stilzwijgende bekentenis wees de rechter dan het goed toe aan de eiser

    • Ook deze rechtshandeling was louter formeel : ze veron-derstelde geen titel, noch bezitsverschaffing. Er was wel geen vrijwaring mogelijk met de actioauctoritate

    • De in iurecessioraakte al in de klassieke tijd in onbruik en Justinianus schafte ze formeel af


    De traditio de informele overdracht

    De traditio= de informele overdracht

    • Goederen konden ook door traditio (letterlijk overgifte) informeel overgaan van de ene naar de andere familia

      • Dit werd de meest voorkomende overdracht, waarvoor men niet noodzakelijk cives moest zijn

      • Vanaf de actiopublicianakonden hiermee ook resmancipi worden overgedragen zodat dit volgens Gaius (2, 65-66) de “natuurlijke wijze” van overdracht was

      • Vanaf Justinianus was dit nog de enig mogelijke overdracht

    • Maar ook bezit en detentie werden informeel overge-dragen. Hoe kon men nu uitmaken dat het nu om over-dracht van eigendom ging?

    • Antwoord : door het bekijken van twee aspecten, met name de wijze van overdracht en de titel 


    Wijzen van overdracht 1

    Wijzen van overdracht (1)

    • Traditio simplex : de feitelijke ter handstelling bij roe-rende goederen of het feitelijk afstappen van de gren-zen bij onroerende goederen. Bij de andere vormen gebeurde geen echte feitelijke overdracht!

    • Traditiolongamanu(overdracht met de lange hand of de fictieve overdracht) : door geld uit te tellen terwijl de schuldeiser toekeek, nam zgn. aan met de lange hand. Dat gebeurde ook wanneer men van op een toren (de grenzen van) een onroerend goed aanwees, of het overhandigen van de sleutels van een kelder waarin wijn lag. Mettertijd was het zelfs al - zij het niet zonder weerstand - voldoende dat men de oude eigendoms-titels (instrumentaantiqua) afgaf


    Wijzen van overdracht 2

    Wijzen van overdracht (2)

    • Traditiobrevimanu(overdracht met de korte hand) : wanneer iemand eigenaar geworden was van een goed dat hij al bij zich had (bijv. een huurder, bruik-lener, bewaarnemer of vruchtgebruiker koopt het goed), dan geschiedde er overdracht gewoon door te dulden dat het goed bij de koper bleef

    • Constitutumpossessorium(= bedongen bezitsver-schaffing) : wanneer iemand omgekeerd de eigen-dom van een goed overdroeg, maar het feitelijk in zijn bezit hield door er een vruchtgebruik op te houden of het te huren, was er overdracht door de loutere wijziging van titel op grond waarvan men het goed bij zich hield (“constituit se possessorem pro me”)


    Evolutie van het constitutum possessorium 1

     Evolutie van hetConstitutumpossessorium(1)

    • Om andere overdracht te vermijden werd het vrucht-gebruik steeds meer bedongen, zij het voor steeds kortere termijnen, zoals bijv. 30 of 5 dagen

    • Daaruit is men gaan afleiden dat ook een enkele ver-klaring om voor een ander te gaan bezitten (zonder vermelding van huur of vruchtgebruik) voldoende was. Meteen vielen titel en overdracht samen

    • Werd in Frankrijk eenalgemeen gebruik sinds de late middeleeuwen en leidde er (samen met de fictieve overdrachten) toe dat de zuiver consensueleover-dracht van eigendom in ons Burgerlijk wetboek werd ingevoerd (lees artikel 771, 1583 en vooral 1138 B.W.)


    Evolutie van het constitutum possessorium 2

     Evolutie van hetConstitutumpossessorium(2)

    • Door de consensuele overdracht ontstond wel de problematiek van het bewijs en tegenstelbaar-heid van eigendomsoverdracht van onroerende goederen

    • Deze problematiek werd in het costumiere recht opgelost door de praktijk van de wettelijke pas-seringen (oeuvres de loi). Tussen de partijen en derden was de overdracht van een onroerend goed slechts geldig indien hij werd verleden voor de rechtbank die dit verlijden registreerde en er een akte van verleende.


    Evolutie van het constitutum possessorium 3

     Evolutie van hetConstitutumpossessorium(3)

    • Deze akten gaven alleen negatieve zekerheid: ze deden oude rechten niet teniet gaan. Als men een positievere zekerheid (nooit geen 100%!) wenste te bereiken moest men bij de rechtbank van de ligging van het goed een purgeprocedure instellen. Hierin werd iedereen opgeroe-pen om zijn zakelijke rechten op een bepaald goed te bewijzen op straffe van verval

    • De Franse revolutie nam dit costumiere systeem min of meer over in 1795. Eigendomsoverdrachten en vestigin-gen van hypotheken (geen erfenissen) moeten worden ingeschreven in een (gerechtelijk vanaf 1851 ambtelijk) register op straffe van niet-tegenstelbaarheid tegenover derden (niet partijen!). De purgeprocedure werd afge-schaft


    Een geldige titel

    Een (geldige) titel

    • De feitelijke overdracht was niet genoeg. Om te weten of er eigendomsoverdracht door de overdracht geschied was, moest je ook de iustacausanagaan, d.w.z. “de feiten die rechtvaardigen dat bezitsverschaffing tevens eigendom doet overgaan” (bijv. de afspraak tussen twee partijen dat een bepaalde zaak geleverd wordt tegen betaling van een bepaalde prijs) en dus niet het motief van de rechtshandeling

    • In latere tijden sprak eerder van de iustustitulus(geldige titel) waarmee men verwees naar de rechtshandeling die nodig was om eigendom geldig te doen overgaan. Geldige titels waren dan koop, schenking en vestiging van een bruidschat


    Eigendomsvoorbehoud

    Eigendomsvoorbehoud

    • Vraag: bestaat de mogelijkheid om de eigendom alleen te doen overgaan wanneer de prijs betaald is zelfs wanneer er intussen al geleverd was. Indien het antwoord ja is behoudt de vervreemder een zakelijke vordering op zijn goed zelfs bij faillissement (prijsbetalingsregel)

    • In het Romeinse recht waren de teksten hieromtrent niet heel duidelijk, wat de laatmiddeleeuwse legisten toeliet om ze vlot te interpreteren en te stellen dat een dergelijke clausule in een contract in elk geval geldig was

    • In Italië en Frankrijk werd die clausule veel opgenomen in de verkoopcontracten betreffende roerende goederen, waardoor ze costumier recht werd. Hoewel die regel over het grootste deel van Europa werd verspreid moet hij in ons moderne recht bedongen worden (zie art. 1583 B.W.)


    Verkrijging van eigendom door verjaring

    Verkrijging van eigendom door verjaring

    • Begrip : door een goed een tijdlang in zijn “bezit” (zie verder) te hebben, wordt men er de eige-naar van

    • Belang van deze (verkrijgende) verjaring :

      • Openbaar belang : het is niet goed dat verwaar-loosde gronden blijven liggen, beter dat ze door “kraken” vruchtbaar worden gemaakt

      • Privaat belang : uitschakelen van bewijs tot in het oneindige (duivelsbewijs : probatiodiabolica)

    • “Moreel” probleem : dief wordt eigenaar en oor-spronkeijke eigenaar verliest zijn eigendom


    Verkrijgende verjaring in de loop van de tijden

    Verkrijgende verjaring in de loop van de tijden

    • Usucapio in het oude en klassieke Romeinse recht

    • Praescriptiolongi temporis in het klassieke en laatromeinse recht

    • Onroerende verjaring in het costumiere en latere recht

    • Verjaring en revindicatie van roerende goederen vanaf de middeleeuwen


    Usucapio 1

    Usucapio (1)

    • Al in de Twaalf tafelenwet zou er sprake geweest zijn van usucapio (usucapere: nemen door gebruik”) : als een overgenomen roerend goed 1 jaar en een onroerend goed 2 jaar werd gebruikt door een overnemer, kreeg die overnemer er revindicatie op. De overlater werd dan, zo-als gezegd, van zijn vrijwaringsplicht bevrijd

    • Dubbel doel :

      • Grondgebrek oplossen : duivelsbewijs uitsluiten voor iemand die verkreeg van een non domino

      • Vormgebrek oplossen : iemand Quiritische eigendom doen verkrijgen wanneer die geen praetorischeeigen-dom had, bijv. wanneer een resmancipibij traditio was verkregen. Dit laatste was typisch Romeins


    Usucapio 2

    Usucapio(2)

    • Voorwaarden van usucapio: reshabiles, titulus, fides, possessio, tempus

      • Reshabiles: goed moet “geschikt” zijn, d.w.z. in de handel (dus geen publieke goederen) en volg ens de lexAtina(einde 3de-begin 2de eeuw) ook niet gestolen of verduisterd. Dit laatste werd ruim opgevat. Bijv. ook niet roerend goed dat door de bewaarnemer was doorverkocht (zie verder)

      • Titulus : er moest iustacausazijn, d.w.z. een rechtshandeling zoals koop, legaat, schenking, en niet huur of pand die rechtvaardigt dat er eigendomsverkrijging plaatsvindt


    Usucapio 3

    Usucapio (3)

    • Fides: hiermee werd bedoeld dat de usucapïent bij het verkrijgen van zijn bezit bonafides(goede trouw) moet hebben gehad, d.w.z. dat de verkrijger moet hebben gedacht (en ook heeft mogen denken) dat zijn voorman beschikkingsbevoegd was. In het andere geval was hij malafides, bijv. wanneer de verkrijger wist dat de voorman minderjarig of geestesonbekwaam was of dat de zaak niet van de voogd maar zijn pupil was. Die fides moest maar aanwezig zijn in het begin van de usucapio: Malafidessuperveniens non nocet

    • Possessio : de usucapïent moest in de tijd van 2 of 1 jaar een zodanig bezit hebben gehad dat het vatbaar was voor bescherming door een bezitsinterdict (zie verder)


    Usucapio 4

    Usucapio (4)

    • Tempus : ononderbroken bezit gedurende de termijn van 2 jaar voor grond en 1 jaar voor andere zaken. Bij onderbreking (usurpatioof stuiting) begon een geheel nieuwe termijn

      • Oorspronkelijk werd in het klassieke Romeinse recht een verjaringstermijn ook afgebroken wanneer de usucapïent voor de afloop ervan de zaak aan een ander overdroeg op grond van bijv. koop of schen-king. De verkrijger moest dan de usucapio van voren af aan beginnen. Alleen een erfgenaam kon een aangevangen usucapio voortzetten. In het laatklas-sieke recht kon ook een usucapïent onder bijzondere titel de verjaring van zijn voorganger voortzetten


    Praescriptio longi temporis 1

    Praescriptiolongi temporis (1)

    • Onder Justinanus onderging de usucapio enkele belang-rijke wijzigingen inzake terminologie en termijnen

    • Die wijzigingen berustten op het feit dat men in de klas-sieke tijd geen dominium kon hebben op gronden in de provincie, maar alleen een door een speciale actiobe-schermd) gebruiks- of genotsrecht (was in feite een bijzondere vorm van eigendom)

    • In de naklassieke tijd, vooral na de stichting van Con-stantinopel en de verovering van het grootste deel van Italië door de Germanen, werd het onderscheid tussen Italische en provinciale grond meer en meer een anoma-lie, waardoor Justinianus het ophief en ook dominiumvan grond buiten Italië mogelijk maakte


    Praescriptio longi temporis 2

    Praescriptiolongi temporis (2)

    • Intussen waren vooraf ook al op provinciale gronden (waar-voor men geen dominium en dus ook geen usucapio kon in-roepen) situaties ontstaan waarvoor men voor Italische grond usucapio, of beter gezegd langdurig ongestoord bezit kon inroepen

    • Onder Griekse invloed kende men in die gevallen in een ei-gendomsproces een exceptie praescriptiolongi temporis, een exceptie van lange duur of beter van langdurig bezit toe : “Wie een goed langdurig bezat kon de opeising ervan met die exceptie verhinderen”

    • Aanvankelijk had dit geen ander gevolg dan dat de opeiser zin proces verloor, dat dus in feite diens recht geen effect meer had (uitdovende verjaring). Vanaf de laatklassiek tijd kreeg deze praescriptiolongi temporis, naar analogie met de usu-capio het karakter van een verkrijgende verjaring


    Praescriptio longi temporis 3

    Praescriptiolongi temporis (3)

    • De voorwaarden om de praescriptiolongi temporis in te roepen waren dezelfde als voor de usucapio (reshabiles, titulus, fides, possessio), met uitzondering van de tempus die in de rechts-praktijk op 10 jaar werd bepaald wanneer de partijen in dezelfde gemeente (Justinianus maakte er provincie van) woonden en aanwezig waren (interpresentes) en 20 jaar wanneer de partijen in dezelfde gemeente (Justinianus maakte er ook provincie van) afwezig waren (interabsentes)

    • Toen Justinianus de provinciale grond tot dominium verklaarde had hij daarop ook de regeling van de usucapiokunnen over-nemen en de praescriptiolongi temporis afschaffen. Hij deed echter het omgekeerde ten aanzien van de grond en behield hiervoor de praescriptiolongi temporis met al zijn voorwaarden en vormde ze om tot een verkrijgende verjaring. De usucapiovormde hij om tot een verkrijgende verjaring voor roerend goed, zij het nu met een termijn van 3 jaar


    Praescriptio longissimi temporis

    Praescriptiolongissimi temporis

    • Daarnaast voerde Justinianus nog, voor zowel de roerende als onroerende goederen, een praescriptiolongissimi temporis, een exceptie van zeer lange duur, van 30 jaar in, waarmee elke aanspraak kon ontkracht worden, ook door diegene die geen iustatitulus had of malafideswas en zonder dat de zaak een reshabilishoefde te zijn

    • Voor kerkelijke goederen gold een termijn van 40 jaar (Nov. 111 en 131, c.VI)


    Verjaring voor on roerend goed in het costumiere en latere recht 1

    Verjaring voor onroerend goed in het costumiere en latere recht (1)

    • Het middeleeuwse costumiere recht kende twee verjaringstermijnen, de verjaring van één jaar en één dag en de verjaring van geen memorie ten contrarie. Beiden verdwenen vanaf de 15de eeuw, de eerste omdat ze te kort was, de tweede omdat ze te on-duidelijk was. Ze hadden wel lange tijd invloed op de bezitsvorderingen (zie verder)

    • Vanaf de 13de eeuw werden onder invloed van de officialiteiten en de notariële praktijk overal de Justi-niaanse verjaringstermijnen van 10, 20, 30 (en soms 40) jaar ingevoerd, wat werd overgenomen in ons B.W. (artikel 2262 en 2265 B.W.)


    Verjaring voor on roerend goed in het costumiere en latere recht 2

    Verjaring voor onroerend goed in het costumiere en latere recht (2)

    • Er waren wel enkele kleine wijzigingen zoals :

      • Malafidessuperveniens non nocetwerd onder in-vloed van het canonieke recht Malafidessuperveniesnocet : de verkrijger moest de ganse termijn ter goe-der trouw zijn. Maar omdat dit aanleiding gaf tot vele betwistingen keerde de C.C. en dus ons B.W. terugnaar de Romeinsrechtelijke oplossing (artikel 2269 B.W.)

      • Men kan door verjaring geen goederen verkrijgen die buiten de handel zijn (art. 2226 B.W.)


    Verjaring en revindicatie van roerende goed

    Verjaring en revindicatievan roerende goed

    • Uitgangspunt : artikel 2279-2280 B.W.

      • Begrip ‘revindicatie’ 

      • Vrijwillig en onvrijwillig bezitsverlies 

    • Specifieke regeling van de verjaring en re-vindicatie van roerend goed in het huidige B.W.

    • Van waar komt die huidige regeling?


    Begrip revindicatie

    Begrip revindicatie

    • Is een burgerlijke vordering tot teruggave van een (roerend of onroerend) goed

    • Is de vordering van een eigenaar

    • Is de (zakelijke) vordering van een eige-naartegenover gelijk welke bezittende derde


    Begrip revindicatie1

    Begrip revindicatie

    eigenaar

    dief/

    lener

    pandnemer

    lener

    koper

    huurder


    Goed te onderscheiden van andere mogelijke vorderingen van de eigenaar

    Goed te onderscheiden van andere, mogelijke vorderingen van de eigenaar

    • Persoonlijke vordering tot teruggave van een goed op grond van een contract

    • Persoonlijke vordering tot schadevergoe-ding wegens niet-teruggave van een goed

    • Private strafvordering (in ME)


    Contractuele vordering versus revindicatie

    Contractuele vordering versus revindicatie

    Contractuele

    vordering

    eigenaar

    lener/

    huurder

    koper

    lener

    verkoper

    koper

    revindicatie


    Bezitsverlies

    Bezitsverlies

    • Vrijwillig bezitsverlies = verlies ten gevolge van

      • Huur

      • Bruikleen

      • Pand

      • Bewaargeving

    • Onvrijwillig bezitsverlies = verlies ten gevolge van :

      • Diefstal

      • Verlies


    Vrijwillig bezitsverlies

    Vrijwilligbezitsverlies

    eigenaar

    lener/

    huurder

    koper

    lener

    huurder

    dief


    Onvrijwillig bezitsverlies

    Onvrijwillig bezitsverlies

    eigenaar

    dief/

    vinder

    pandnemer

    lener

    dief

    koper


    Art 2279 2280 b w onderscheid

    Art. 2279-2280 B.W. onderscheid

    • Vrijwillig bezitsverlies : art. 2279, eerste lid B.W. (a contrario uit 2279, tweede lid B.W) 

    • Onvrijwillig bezitsverlies : art. 2279, tweede lid en 2280 B.W 


    Vrijwillig bezitsverlies1

    Vrijwillig bezitsverlies

    Welcontractuele

    vordering

    eigenaar

    lener/

    huurder

    koper

    lener

    verkoper

    koper

    Geenrevindicatie


    13

    Bij vrijwillig bezitsverliesVordering van de eigenaar?

    • Bezit geldt als titel = bezit geldt als onweerleg-baarvermoeden van eigendom

    • Dus : verjaring om alsdan eigendom te verkrijgen is nul

    • Dus : alsdan geen revindicatie tegen de feitelijke bezitter van een roerend goed mogelijk

    • Dus : wel contractuele vordering tot teruggave tegen de huurder, bruiklener, pandnemer en bewaarnemer op basis van het bijzondere con-tractenrecht


    Onvrijwillig bezitsverlies1

    Onvrijwillig bezitsverlies

    Ookquasi-delictuele

    vordering

    eigenaar

    dief/

    vinder

    pandnemer

    lener

    verkoper

    koper

    Wel revindicatie

    … binnen 3 jaar


    Onvrijwillig bezitsverlies pecuniaire bescherming koper

    Onvrijwillig bezitsverlies :pecuniaire bescherming koper +

    Quasi-delictuele

    vordering

    Betaling

    koopprijs

    eigenaar

    dief/

    vinder

    pandnemer

    lener

    verkoper

    Koper

    +

    Wel revindicatie

    binnen 3 jaar

    Terugbetaling

    koopprijs


    Bij onvrijwillig bezitsverlies vorderingen van de eigenaar

    Bij onvrijwillig bezitsverliesVorderingen van de eigenaar?

    • Wel revindicatie, maar :

      • Moet gebeuren binnen de drie jaar en …

      • Pecuniaire bescherming van de koper ter goeder trouw

    • Daarnaast mogelijkheid van een quaside-lictuele vordering (schadevergoeding) te-genover de dief of de vinder op basis van artikel 1382 B.W.


    Van waar komt die regeling

    Van waar komt die regeling ?

    • Niet uit het Frankisch of het vroegmiddel-eeuwse recht van voor 1350

    • Gedeeltelijk uit het laatmiddeleeuwse recht van na 1350

    • Gedeeltelijk uit het Romeinse recht

    • Gedeeltelijk uit het 18de-eeuwse Franse recht


    Geen revindicatie tot 1350

    Geen revindicatie tot 1350

    • Vrijwillig bezitsverlies : geen revindicatie wel contractuele vordering tot teruggave tegen de eerste verkrijger

    • Onvrijwillig bezitsverlies : geenrevindica-tiewel private strafvordering tegenover de dief of vinder


    Vrijwillig bezitsverlies tot ca 1350

    Vrijwillig bezitsverlies tot ca. 1350

    Welcontractuele

    vordering

    eigenaar

    lener/

    huurder

    koper

    lener

    koper

    dief

    Geen

    revindicatie


    13

    Onvrijwillig bezitsverlies tot ca. 1350

    Welprivate

    strafvordering

    dief/

    vinder

    pandnemer

    lener

    huurder

    koper

    eigenaar

    Geen

    revindicatie


    Revindicatie tussen 1350 en 1700

    Revindicatietussen 1350 en 1700

    • Onvrijwillig bezitsverlies 

    • Vrijwilligbezitsverlies


    Onvrijwillig bezitsverlies tussen 1350 en 1700

    Onvrijwillig bezitsverlies tussen 1350 en 1700

    • Vanaf ca. 1350 werd in het costumiere recht een zelfstandige terugvordering van de eige-naar tegenover gelijk welke derde (= revindicatie) inge-voerd (la demande de la choseemblée)

      • Romeins?

      • Endogeen?

    • Maar die revindicatie kende meteen drie beper-kingen omwille van de behoefte aan rechts-zekerheid op de handelsmarkt :

      • (Jaar)markthypothese 

      • Ambachtsmanhypothese 

      • Jodenhypothese 


    Jaar markthypothese bij onvrijwillig verlies

    (Jaar)markthypothesebijonvrijwilligverlies

    • Koper die roerendgoed op marktkocht, moetdatgoedteruggevenaan de revindi-cerendeeigenaar

    • Maar slechtstegenterugbetalingdooreigenaar van de koopprijs die de koperervoorbetaalde op de markt


    Onvrijwillig bezitsverlies la demande de la chose embl e

    Onvrijwillig bezitsverlies :La demande de la choseemblée

    Betaling

    koopprijs

    Koper

    Op markt

    eigenaar

    dief/

    vinder

    pandnemer

    lener

    verkoper

    Welrevindicatie

    Terugbetaling

    koopprijs


    Ambachtsmanhypothese

    Ambachtsmanhypothese

    • Ambachtsman die roerendgoed (bijv. laken) op bewerktevooriemand die het hem ter hand stelde, moetdatgoedteruggevenaan de revin-dicerendeeigenaar

    • Maar slechtstegenterugbetalingdooreigenaar van de arbeidsprijs en de prijs de goederen die hijhierbijnodighad(latere retentierecht)


    Ambachtsmanhypothese bij onvrijwillig verlies

    Ambachtsmanhypothesebijonvrijwilligverlies

    Vordering

    tot verfloon

    verver

    Eigenaar

    laken

    dief/

    vinder

    pandnemer

    lener

    handelaar

    laken

    Wel revindicatie

    Verfloon


    Jodenhypothese bij onvrijwillig verlies

    Jodenhypothesebijonvrijwilligverlies

    • Geldlenermoethetroerendgoeddathij in pandnam, teruggevenaan de eigenaar die revindiceert

    • Maar slechtstegenterugbetaling van hetgeleendegeld(en vervallenintrest)


    Jodenhypothese bij onvrijwillig verlies1

    Jodenhypothesebijonvrijwilligverlies

    Lening geld

    pandnemer/

    geldschieter

    Eigenaar

    dief/

    vinder

    pandnemer

    koper

    geldlener

    Wel revindicatie

    Geleende geld


    Vrijwillige bezitsverlies tussen 1350 en 1700

    Vrijwilligebezitsverliestussen 1350 en 1700

    • [Sommige costumen behielden de Germaanse oplossing van geen revindicatie (maar wel con-tractuele vordering tot teruggave) ] 

    • De meeste costumen voerden een zelfstandige terugvordering van de eigenaar tegenover gelijk welke derde in (la demande de la choseadirée, maar ook onmiddellijk met de drie beperkingen :

      • Markthypothese

      • Ambachtmanshypothese

      • Jodenhypothese (kredietpand)


    Sommige schaarse costumen tussen 1350 en 1700

    Sommige schaarse costumentussen 1350 en 1700

    Welcontractuele

    vordering

    eigenaar

    lener/

    huurder

    koper

    lener

    verkoper

    koper

    Geenrevindicatie


    Meeste costumen tussen 1350 en 1700

    Meeste costumentussen 1350 en 1700

    Welcontractuele

    vordering

    eigenaar

    lener/

    huurder

    koper

    lener

    verkoper

    koper

    Welrevindicatie

    3 uitz.


    Jaar markthypothese bij vrijwillig verlies

    (Jaar)markthypothesebijvrijwilligverlies

    Betaling

    koopprijs

    eigenaar

    huurder/

    lener

    pandnemer

    lener

    verkoper

    op markt

    verkoper

    op markt

    koper

    op markt

    Wel revindicatie

    Terugbetaling

    koopprijs


    Ambachtsmanhypothese bij vrijwillig verlies

    Ambachtsmanhypothesebijvrijwilligverlies

    verver

    Eigenaar

    laken

    huurder/

    lener

    pandnemer

    lener

    handelaar

    laken

    Wel revindicatie

    verfloon


    Jodenhypothese bij vrijwillig verlies

    Jodenhypothesebijvrijwilligverlies

    Lening geld

    pandnemer/

    geldschieter

    Eigenaar

    huurder/

    lener

    pandnemer

    lener

    koper

    Wel revindicatie

    Geleende geld


    Evolutie in de 18 de eeuw

    Evolutie in de 18de eeuw

    • Handel in roerende goederen werd (vooral in Parijs) veel groter dan vroeger :

      • Door de aankomende industrialisatie werden veel meer roerende goederen verhandeld

      • Roerende goederen werden veel snellerverhan-deld

    • Te ruime revindicatiemogelijkheid tastte nu de rechtszekerheid aan door de precaire positie van de bezitter in een eigendomsproces 


    Precaire positie van de bezitter in een eigendomsproces

    Precairepositie van de bezitterin eeneigendomsproces

    Eiser

    Eigenaar

    Verweerder

    Bezitter

    versus

    Wil roerendgoed

    terug in bezit

    Wil roerendgoed

    in bezitbehouden


    Ruime revindicatie tastte rechtszekerheid aan

    Ruimerevindicatietastterechtszekerheidaan

    • Indien eiser bewees dat hij in het verleden ooit eens eigenaar was geweest

    • Moest bezitter als verweerder bewijzen dat hij 1° sindsdien eigenaar was geworden en 2° eige-naar was gebleven door :

      • Rechtmatige eigendomsoverdracht(en) (= het duivelsbewijs met geschrift boven bepaald be-drag!)

      • Verkrijgende verjaring van 30 jaar

    • Deze bewijzen waren meestal onmogelijk, wat leidde tot rechtsonzekerheid en een aantasting van een eerlijke koopprijs


    Vier oplossingen voor een herstel van de rechtszekerheid

    Vier oplossingen voor een herstel van de rechtszekerheid

    • Oplossing 1 : verlichten van de bewijslast 

    • Oplossing 2 : invoeren van een weerlegbaar ver-moeden van eigendom 

    • Oplossing 3 : invoeren van een onweerlegbaar vermoeden van eigendom 

    • Finale oplossing in Code Civilen ons B.W. 


    Oplossing n verlichten van de bewijslast

    Oplossingéénverlichten van de bewijslast

    • Rechtmatige titel :

      • Nog alleen de laatste titel moet bewezen worden

      • Titel ook te bewijzen met getuigen en eed

    • Verkrijgende verjaring op drie jaar gebracht (Romeins recht en art. 2279, 2de lid B.W.)


    Oplossing twee weerlegbaar vermoeden van eigendom

    Oplossingtwee : weerlegbaarvermoeden van eigendom

    • De Franse rechtspraak voerde een weer-legbaar vermoeden van eigendom in = de feitelijke bezitter wordt nu geacht de ei-genaar te zijn : “Bezit geldt als titel van eigendom ” (art. 2279, 1ste lid B.W.)

  • Hield verzwaring van de bewijslast voor de eigenaar in : de eigenaar moest nu bewijzen dat hij 1° ooit eens eigenaar was en2° het sindsdien was gebleven


  • Oplossing drie fran ois bourjon

    OplossingdrieFrançois Bourjon

    • Onweerlegbaarvermoedenzowelbij vrijwillig als onvrijwillig bezitsverlies (art. 2279, 1ste lid B.W.)


    Oplossing vier b w

    Oplossing vier : B.W.

    Onweerlegbaar vermoeden bij vrijwillig bezitsverlies : geen revindicatie mogelijk. Wordt geformuleerd als algemene regel: “Bezit geldt als titel” (Bourjon en 18deeeuwse Franse rechtspraak)

    • Weerlegbaar vermoeden bij onvrijwillig bezitsverlies : revindicatie wel mogelijk (Romeins of laatmiddeleeuws recht)

      • Binnen drie jaar (art.2279, 2de lid) (RR)

      • Tegen vergoeding koper ter goeder trouw (= oude markthypothese) (art. 2280 B.W.) (ME’s recht)


  • Login