1 / 70

Forensisch welzijnswerk

Forensisch welzijnswerk. Transparanten Academiejaar 2001-2002 Prof. Dr. M. Bouverne-De Bie. Collegeschema. De colleges gaan door op dinsdag van 13 u tot 16u30 rond volgende thema’s : 19.02.02 : inleiding – definities – het begrip « sociale integratie »

emiko
Download Presentation

Forensisch welzijnswerk

An Image/Link below is provided (as is) to download presentation Download Policy: Content on the Website is provided to you AS IS for your information and personal use and may not be sold / licensed / shared on other websites without getting consent from its author. Content is provided to you AS IS for your information and personal use only. Download presentation by click this link. While downloading, if for some reason you are not able to download a presentation, the publisher may have deleted the file from their server. During download, if you can't get a presentation, the file might be deleted by the publisher.

E N D

Presentation Transcript


  1. Forensisch welzijnswerk Transparanten Academiejaar 2001-2002 Prof. Dr. M. Bouverne-De Bie.

  2. Collegeschema • De colleges gaan door op dinsdag van 13 u tot 16u30 rond volgende thema’s : • 19.02.02 : inleiding – definities – het begrip « sociale integratie » • 26.02.02 : geschiedenis en structuur van het forensisch welzijnswerk • 05.03.01 :Samenwerkingsakkoorden en strategisch plan (ism W. Meyvis) • 12.03.02 : detentiebeleving en -begeleiding (ism A. Neys- gevraagd)

  3. Collegeschema • 19..03.02 : Slachtofferhulp (ism R. Roose & I. Vandewalle- gevraagd) • 26.03.02 : internering • TYPEVRAGEN

  4. Collegeschema • 16.04.02 : Herstelbemiddeling (ism Leo Van Garsse). • 23.04.02 ; beantwoorden vragen • 30/04; 7/05; 13/05; 20/05 : oefeningen

  5. Forensisch welzijnswerk : inleiding – definities – het begrip « sociale integratie » - « Forensisch welzijnswerk » • De paradox van het strafrecht : de strafrechtstheorieën - Ontstaan en ontwikkeling van het « reclasseringsbegrip » • Het begrip « sociale integratie »

  6. Forensisch welzijnswerk • = algemene hulp-en dienstverlening aan mensen die hetzij als dader, hetzij als slachtoffer, hetzij als naastbestaande van dader en/of slachtoffer, rechtstreeks of onrechtstreeks geconfronteerd worden met een strafrechtelijke interventie • Kernthema : spanning tussen justitiële interventie en welzijn(swerk).

  7. Paradox van het strafrecht • Strafrecht beoogt bescherming van rechtsgoederen door mensen die de strafrechtsnormen overtreden hebben te treffen in diezelfde rechtsgoederen • Deze paradox vraagt om rechtvaardiging  straftheorieën/strafrechtstheorieën • Legitimerende, delegitimerende en verenigingstheorieën.

  8. Legitimerende theorieën - reiken grondslag aan voor strafrechtelijk optreden • Grote stromingen : absolute theorieën, verdragstheorieën en relatieve theorieën. ° Absolute theorieën : grondslag van het strafrecht = vergelding van het misdrijf; ernst misdrijf bepaalt omvang van de straf. ° Verdragstheorieën: grondslag van het strafrecht = verbreken van het sociaal contract tussen burger en samenleving; nadruk op straf als recht van de staat en op strafwaardigheid burger teneinde opnieuw aansluiting te vinden bij de samenleving

  9. Legitimerende theorieën ° Relatieve theorieën : rechtvaardiging van de straf ligt in de doelstellingen die door middel van de straf bereikt kunnen worden, namelijk : - speciale preventie t.a.v. de dader - algemene preventie t.a.v. potentiële daders  Aard en omvang van de straf in relatie tot de ingrepen nodig om toekomstige normcomformiteit te verzekeren.

  10. Delegitimerende theorieën • Niet enkel « afwijkend gedrag » wordt in analyse betrokken, maar ook de actie vanhet strafrecht zèlf , zowel in de totstandkoming als in de « oplossing » van sociale problemen. • Strafrecht = instrument tot machtshandhaving • Alternatieven voor strafrechtelijk optreden : ° « assensusmodel » (Bianchi) ° abolitonistisch perspectief (Hulsman)

  11. Delegitimerende theorieën • Uitgangspunten assensusmodel : ° mensen hebben recht op conflicten ° conflicten moeten niet « opgelost » maar geregeld worden ° huidige strafrecht heeft mensen onmondig gemaakt om zelf nog conflicten te leren oplossen ° delictsconflict ligt niet in de omstandigheid dat agressie gepleegd werd, maar in omstandigheid dat er nog een regeling voor het daaruit stammende conflict gevonden is.

  12. Delegitimerende theorieën - « Emancipatoir strategiemodel » : via het genereren van een wetenschappelijke theorie de basis leggen voor wetenschappelijk handelen dat bevrijdt van dominante modellen van criminalisering en strafrechtspleging.  reflexieve opstelling : is strafrecht wel nodig ?  herformulering mensenrechten : (a) geen uitzondering voor strafrechtelijk vervolgden; (b) delictpleger mag niet weerhouden worden van zijn handelingsbekwaamheid om het uit het delict ontstane conflict op te lossen.

  13. Delegitimerende theorieën • Abolitionistisch perspectief (Hulsman) : de mogelijkheden tot conflictoplossing waarover mensen in hun concrete leefwereld beschikken, of die hen via intermediaire instituties ter beschikking gesteld kunnen worden, ondersteunen en stimuleren, waardoor strafrechtelijke oplossingsmogelijkheden kunnen worden gemarginaliseerd • Deze marginalisering is nodig, omdat het strafrecht meer negatieve dan positieve effecten sorteert.

  14. Delegitimerende theorieën • Negatieve effecten strafrecht : gevolg van begrippenkader dat het strafrecht hanteert : ° « misdrijf » en « criminaliteit » als eigenschap van gedrag of gebeurtenis, met uitsluiting van de eigenschappen van de reactie erop; ° transformatie gedifferentieerde betekenisverlening in een juridisch-bureaucratisch eenduidige betekenis : probleemduiding wordt aldus « ontstolen » aan de betrokkenen ° functioneren strafrecht als een autonome bron van onwelzijn

  15. Verenigingstheorieën • Combinatie van inzichten, vnl combinatie van absolute en verenigingstheorieën : grondslag straf is vergelding; tegelijk wordt aan straf een bovengrens gesteld, en wordt de aard en omvang binnen deze begrenzing bepaald door doelstellingen van conflictoplossing, en van generale en specifieke preventie. • Onderscheid « retributief-repressief model » en «rehabilatief » model.

  16. Verenigingstheorieën • Retributief-repressief model : nadruk op legaliteitsbeginsel (de in een wet vastgelegde delictskwalificatie), het proportionaliteitsbeginsel (de maat en de vorm van de strafrechtelijke reactie) en het beginsel van gelijke behandeling. Toepassing hiervan maakt specifiek en algemeen duidelijk dat  « misdrijf niet loont ». • Rehabilatief model : nadruk op bescherming van de maatschappij via strafrechtsuitvoering aangepast aan de persoon van de delictpleger (cf. preventieve doelstellingen)

  17. Verenigingstheorieën • Rehabilatief model : ontwikkeling naar « individualisering » strafuitvoering  spanningsveld met rechtszekerheid en rechtspositionele waarborgen • Moeizame implementatie  discussie « justice model » versus « community corrections » model » • Grondslag « hulp en recht » debat

  18. « Restorative justice » • Prioritaire doelstelling straf = herstel  integratie van slachtoffergerichte bemiddeling in strafrechtspleging. • Samenwerking justitiële instanties, bemiddelende instanties en hulpverleningsinstanties. • Bemiddeling moet een communicatieproces tussen dader en slachtoffer bewerkstelligen : « naming », « blaming », « claiming » • Ontwikkeling naar « restorative justice » gebeurt t binnen context vigerende strafrecht  niet eenduidige ontwikkeling.

  19. Hulp en recht debat • Tegenstelling tussen hulp en recht  « hulp » en « recht » zijn in hun essentie het aanbieden van een scenario dat de betrokkenen in staat moet stellen hun conflicten op te lossen • Van scheiding tussen hulp en recht  samenwerking vanuit onderscheiden rol en positiebepaling • Belang reflexieve benadering : zijn we fundamenteel dan wel reformistisch bezig ? • Forensisch debat = « verantwoordingsdebat »

  20. Ontstaan en ontwikkeling van het reclasseringsbegrip • Basis reclasseringsbegrip : « rehabilatief model » in strafrechtspleging. • Startpunt in ons land : V.I. wet van 31 mei 1888 (« wet Lejeune ») • Wet van 29 juni 1964 op opschorting, uitstel en probatie • Hernieuwde nadruk op rehabilatief model met de « Oriëntatienota Gevangenisbeleid en Strafbeleid » (1996)

  21. Ontstaan en ontwikkeling van het reclasseringsbegrip • Grondslag Wet Lejeune = rationele visie A. Prins mbt voeren beleid tov langdurig gestraften (V.I.) en plegers van geringe feiten (V.V.) • Snelle invoering nav « zaak Falleur & C° » • Invoering reclassering als nieuw beheersingsinstrument • Met inschakeling van toenmalig model van sociale hulpverlening : de patronage • Inschakeling hulpverlening in strafuitvoering op basis van concensusbenadering van sociale problemen.

  22. Concensusbenadering sociale problemen • Aanname eensgezindheid over de interpretatie van sociale doeleinden, normen en waarden • Aanname eensgezindheid over de manier waarop evt conflicten moeten worden opgelost • Afwijkende benaderingen worden vanuit de dominante benadering geïnterpreteerd • Afwijkende benaderingen kunnen voor zover zij de dominante benadering niet bedreigen • Conflicten vormen een bedreiging; zij moeten opgelost of onzichtbaar gemaakt worden, zodat hun schadelijke werking teloor gaat.

  23. Krachtlijnen concensus • « Individueel belang » en « maatschappelijk belang » vallen samen ( cf structureel-functionalistische benadering) • Grondslag en finaliteit interventies : verandering van de samenleving in gewenste richting. • Interventie op basis van onderscheid bonafide-malefide (cf. Humanisme) • Werkverschaffing en heropvoeding als concrete interventie-instrumenten (cf. Verlichting)

  24. Onderscheid « bonafiden » - « malefiden » • Humanistische benadering sociale problemen : • uitgesproken moraliserend, én werelds : organiseren betere wereld-nu als een taak met eigen betekenis • Positief geïnspireerd arbeidsethos : • Appèl op de overheid tot bescherming aangenomen concensus • Maatschappelijk onderscheid « bonafiden » (hulpverlenende benadering) en « malefiden (repressieve benadering)

  25. Nadruk op werkverschaffing en (her)opvoeding • Verlichting : mens is van nature goed  aandacht voor maatschappelijke oorzaken afwijkend gedrag en voor grondige aanpak : preventie als kernthema • « gemene volk » kan zijn voordeel halen uit overname burgerlijk model • Werkverschaffing en heropvoeding als « oplossing » voor de meest uiteenlopende problemen, in combinatie met onderscheid bonafiden-malefiden : « wie wil, kan eigen zedeloosheid en onkunde overwinnen door kennis, arbeidzaamheid en goede orde »

  26. Effecten concensusbenadering  • Maatschappelijk wisselende inzet strafrechtelijke en hulpverlenende interventies, bijv benadering landloperij en bedelarij ( hulp en recht debat) • Spanningsveld « beheersing » en « emancipatie » ook binnen - strafrechtspleging ( humaniseringsdebat; cf onderscheid legitimerende-delegitimerende theorieën) - binnen hulpverlening (debat « welzijnsrechten », cf. onderscheid residuele en structurele benaderingen sociaal beleid)

  27. Effecten concensusbenadering • Inzet strafrecht & hulpverlening = maatschappelijke verandering • Abstracte benadering (>< feitelijke situaties en kennis hierover) • Selectieve gerichtheid : « ongewenst gedrag », « onwelzijn » • Op basis van criteria extern aan de betrokkenen • Koppeling justitiële & welzijnsinterventies leidt tot schemerzones en rolverwarring

  28. Reclasseringsbegrip • Basis = concensusmodel • « Sociale integratie » = normcomformiteit • Criterium sociale integratie = non recidive • Reclasseringsbegeleiding vertrekt vanuit abstract integratieconcept, om vandaaruit te zoeken naar geindividualiseerde toepassingsmogelijkheid • Vaststelling : wisselende slaagkans – versterking ingebouwde selectiviteit

  29. Van reclassering naar « sociale integratie » • Omslag in « welzijnsdenken » na WO II : van « concensus » naar « discensus » • « recht op menswaardig bestaan » als nieuwe sociaal-politieke doelstelling • Kadering welzijnsdenken in denken over maatschappelijke dienstverlening •  aansluiting bij aandacht voor feitelijke situaties •  aansluiting bij « discensusbenadering »

  30. Kenmerken discensusbenadering • Erkenning diversiteit sociale doeleinden, normen en waarden + hun interpretatie; • Er is geen concensus over conflictoplossing; • Het (dwingend) opleggen van een bepaalde interpretatie vormt veeleer de weerspiegeling van machtsverhoudingen dan van ethische opvattingen; • « Afwijkende » nopen tot interactie, tot dialoog - « interculturalisering » • Conflicten zijn betekenisvol en moeten op hun betekenis begrepen worden

  31. Effecten « discensusbenadering » • Erkenning discensus  « recht op maatschappelijke dienstverlening » d.w.z. « hulpvrager » wordt erkend als gelijkwaardig in bepaling welzijnscriteria • Erkenning discensus  noodzaak open houden debat over « menselijke waardigheid »  « recht op maatschappelijke dienstverlening » als afdwingbaar recht  « welzijnswerk » = doorgangsgebied tussen individuele aspiraties en maatschappelijke verwachtingen

  32. Van « reclassering » naar « forensisch welzijnswerk » • Reclassering : finaliteit = normconformiteit • Forensisch welzijnswerk : dienstverlening met als finaliteit : bijdrage tot « menswaardig bestaan » • Legitimering welzijnswerk in termen van rechtsbescherming i.p.v. te bereiken « verandering » • Onderscheiden rol en positiebepaling welzijnswerk t.o.v. strafrechtspleging, nl een doorgangsgebied tot afstemming individuele aspiraties en maatschappelijke verwachtingen

  33. Van « reclassering » naar « forensisch welzijnswerk » • Heroriëntering « hulp en recht »-debat : van « scheiding » naar « samenwerking » • Samenwerking vanuit onderscheiden rol en positiebepaling (>< reclassering!) • Autonomie « forensisch welzijnswerk » tov justitie  « vrijwillige hulpverlening » • Van « reclassering » naar « sociale integratie »

  34. « Sociale integratie » = spiegelbegrip « sociale uitsluiting » • Aandacht voor verschillen tussen individuen en groepen inzake sociale uitsluiting • Straf, a fortiori detentiestraf = (extreme) vorm van sociale uitsluiting • « Sociale integratie » = vraag naar voorwaarden waaronder mensen « geïntegreerd » worden, d.w.z. aan de samenleving kunnen participeren • Positieve invulling « integratie » , namelijk : welke participatiemogelijkheden moeten aanwezig zijn (c.q. welke participatieproblemen moeten opgelost worden) ?

  35. « Sociale integratie » • Algemeen : « mogelijkheid een menswaardig bestaan te leiden » • Concreet : • participatiemogelijkheden op structureel vlak : deelname aan arbeid, gezondheidszorg, sociale en culturele voorzieningen… • Participatiemogelijkheden op sociaal-cultureel vlak (cf. erkenning discensus inzake opvattingen over « welzijn ») Vgl begrip « geïnstitutionaliseerde levenskansen » als onderscheidingscriterium verzorgingsstaat

  36. « Structurele integratie  » • Omvat functionele en morele dimensie integratie • - functioneel : effectief en efficiënt bereiken « integratiedoelstellingen » , bijv integratie op de arbeidsmarkt (= doel), binnen mogelijkheden arbeidstoeleiding en begeleiding (= efficiëntie), aansluitend op mogelijkheden betrokkenen (effectiviteit) • - moreel : aan welke normen moeten mensen voldoen opdat integratiekansen rechtvaardig verdeeld zouden worden, bijv : eis tot inschikking op door arbeidsmarkt gestelde voorwaarden.

  37. « Sociaal-culturele integratie » • Omvat expressieve dimensie integratiebegrip • Dwz : erkenning persoonlijke waarden door anderen en bevrediging van behoeften die voor vorming individuele en collectieve identiteit betekenisvol zijn, bijv arbeid als zingever : wordt geboden « tewerkstelling » ook door betrokkenen erkend als « zinvolle arbeid » •  criterium « respect » voor de betrokkenen. •  focus « integratie » verschuift van specifieke aandacht voor persoon naar reflexieve aandacht voor beleidsvoering, vanuit erkenning individu

  38. « Sociale integratie » •  bepaling integratiebegrip op beleidsniveau ipv niveau behandeling •  inzicht in spanningsveld tussen diverse dimensies integratie bijv functioneel geslaagde integratie (bijv ‘tewerkstelling ’ via arbeidstoeleiding) kan op gespannen voet staan met morele dimensie (realisatie mogelijkheden tot participatie aan arbeidstoeleidingstraject in hoofde van eenieder) en/of expressieve dimensie (tewerkstelling in overeenstemming zinvolle arbeid)

  39. « Sociale integratie » • Basisconcept forensisch welzijnswerk • Tegelijk : theoretisch fundamenteel te verdiepen concept • Vaststelling : vooralsnog weinig onderzoek terzake én druk veranderende maatschappelijke context • Risico « terugslagbewegingen » van « sociale integratie » naar « reclassering » • Nood aan gedifferentieerd, reflexief beleid, op basis van concrete gegevens.

  40. Forensisch welzijnswerk : geschiedenis en structuur • Forensisch welzijnswerk = perspectief op criminaliteit en onveiligheid als sociaal probleem • Tegelijk is het forensisch welzijnswerk : • een methodisch aanbod • Een voorzieningenaanbod (« sector »)

  41. Forensisch welzijnswerk : geschiedenis en structuur • Ontstaan uit « reclasseringsbegeleiding » via « social case work » • Wisselwerking perspectiefontwikkeling, methodische ontwikkeling, sectorale ontwikkeling • Onderscheiden ontwikkeling private reclassering en overheidsreclassering • Staatshervorming als aangrijpingspunt autonome profilering private reclassering • Spanningsveld autonome profilering-maatschappelijk draagvlak autonoom forensisch aanbod.

  42. Forensisch welzijnswerk : geschiedenis en structuur • Actueel : - justitieel maatschappelijk werk in het kader van de strafuitvoering  gekoppeld aan rapportage – onderscheid psycho-sociale dienst – justitieel maatschappelijk werk justitiehuizen. - justitieel welzijnswerk in het kader van het algemeen welzijnswerk  hulpverlening « gevraagd of aanvaard » door de cliënt  kadering binnen het « recht op maatschappelijke dienstverlening » - onderscheid « justitieel welzijnswerk » en « slachtofferhulp »

  43. Historische ontwikkeling forensisch welzijnswerk : de beschermingscomité’s • Wet Lejeune 1888 : inschakeling patronage (= toenmalige vorm van welzijnswerk) in strafuitvoering  Beschermingscomité’s. • Kenmerken: - selectieve doelgroep - doel selectiviteit : economische inzet dienstverlening in functie bescherming maatschappij - hulp in een bedreigde context : justitieel ingrijpen als « stok achter de deur »

  44. Historische ontwikkeling forensisch welzijnswerk : de beschermingscomité’s • Beschermingscomité = hulpverleningsaanbod gerealiseerd door vrijwilligers ( vorm van burgerparticipatie – in concreto voor gegoede burgerij) • Justitieel optreden is startpunt hulpverlening en volgt hulpverlening • Hulpverlening als onderdeel « beschavingsoffensief » « des classes privilégiées en faveur des classes « déshéritées ». • Accent op « preventie » (cf. economische inzet)

  45. Historische ontwikkeling van het forensisch welzijnswerk : de beschermingscomité’s Feitelijk aanbod zowel naar v.i. als naar kinderbescherming. Cf. preventie) • 1894 : oprichting « Commission Royale des Patronages » : advies aan Minister Justitie over wetgeving kinderbescherming en over patronage tav delinquenten en landlopers • Feitelijk mogelijke inzet niet in verhouding tot case-load  meer aandacht voor kinderbescherming dan voor volwassenen (cf. ook vorm van burgerparticipatie voor gegoede burgerij)

  46. Historische ontwikkeling forensisch welzijnswerk : de diensten voor sociale reïntegratie • Feitelijke werking beschermingscomité’s is zeer divers, zowel naar inhoud als intensiteit • Na W.O. I : voorzichtige beweging naar professionalisering : Beschermingscomité’s van Brussel, Antwerpen en Brugge vormen zich om tot « dienst voor sociale reïntegratie » • Accent blijft liggen op vrijwilligersinbreng i.s.m. professionele inbreng • Vrijwilligersinbreng vooral op vlak van celbezoek en nazorg • Hulpverlening blijft in kader strafuitvoering

  47. Historische ontwikkeling van het forensisch welzijnswerk : de werken der wederaanpassing • Vanaf 1922 : ontstaan « Werken der Wederaanpassing » • Van meetaf aan op professionele basis • Aanvankelijk ter preventie landloperij en opvang landlopers • Geleidelijke verruiming naar andere doelgroepen : geïnterneerden en v.i. (cf. moeizame uitbouw residentiële reclassering door verzet vanuit Ministerie van Justitie : tot 1955 waren slechts vier onthaaltehuizen werkzaam – ontwikkeling « thuislozenzorg » in concreto vanaf 1960)

  48. Historische ontwikkeling van het forensisch welzijnswerk : de overheidsreclassering • Private reclassering (Beschermingscomité’s, Diensten voor Sociale Reïntegratie & Werken der Wederaanpassing) blijft tot na W.O.I. enige vorm van hulpverlening aan volwassen justitiecliënteel • 1930 : ontstaan van een « overheidsreclassering » ingebouwd in Bestuur der Strafinrichtingen : oprichting « Sociale Penitentiaire Deinst » • Sociale Penitentiaire Dienst = toevoeging maatschappelijk werkers aan sinds 1920 in alle gevangenissen bestaande « antropologische laboratoria »

  49. Historische ontwikkeling van het forensisch welzijnswerk : de overheidsreclassering • Opdracht « antropologische laboratoria » : « al de nodige onderzoeken doen welke nodig worden geacht met het oog op het onderzoek van de gedetineerden, het individualiseren van hun strafbehandeling en hun sociale wederaanpassing » • Classificatiesysteem gedetineerden • Specialisatie strafinrichtingen • Ontwikkeling penitentiair gemeenschapsregime met accent op gemeenschappelijke tewerkstelling of beroepsopleiding gedetineerden

  50. Historische ontwikkeling van het forensisch welzijnswerk : de overheidsreclassering • Na W.O. II : dubbele beweging binnen overheidsreclassering : enerzijds, verdere uitbouw « behandelingsideologie » en anderzijds, impuls tot humanisering penitentiair regime ( aandacht rechtspositie gedetineerde) • Uitbouw behandelingsideologie via oprichting P.O.C. in St. Gillis (1963) en uitbouw O.B.E.’s (1971) in aantal strafinrichtingen • Opdracht O.B.E. : interdisciplinaire werking in functie van wetenschappelijk onderbouwde begeleiding en behandeling gedetineerden.

More Related