1 / 45

Cel en leven

Cel en leven. Hoofdstuk 4. 4.1 Levende cellen. Organisatieniveaus De schaal waarop biologisch onderzoek plaatsvindt. Levenskenmerken Opgebouwd uit één of meer cellen Groei Voortplanting Stofwisseling Waarnemen en reageren Organisatie van erfelijk materiaal Levend Dood Levenloos.

dustin-wise
Download Presentation

Cel en leven

An Image/Link below is provided (as is) to download presentation Download Policy: Content on the Website is provided to you AS IS for your information and personal use and may not be sold / licensed / shared on other websites without getting consent from its author. Content is provided to you AS IS for your information and personal use only. Download presentation by click this link. While downloading, if for some reason you are not able to download a presentation, the publisher may have deleted the file from their server. During download, if you can't get a presentation, the file might be deleted by the publisher.

E N D

Presentation Transcript


  1. Cel en leven Hoofdstuk 4

  2. 4.1 Levende cellen • Organisatieniveaus • De schaal waarop biologisch onderzoek plaatsvindt

  3. Levenskenmerken • Opgebouwd uit één of meer cellen • Groei • Voortplanting • Stofwisseling • Waarnemen en reageren • Organisatie van erfelijk materiaal • Levend • Dood • Levenloos

  4. Eencellig meercellig • Cel • Kleinste eenheid van leven • 10- 100 µm • Grootte beperkt door oppervlakte/volumeratio • Eencellig: groot o/v-ratio: voldoende opname van O2 • Meercellig: klein o/v-ratio: niet voldoende opname O2; ontwikkeling speciale organen met groot oppervlak • Zie ook animatie digitaal leermateriaal (theorie en bronnen)

  5. Verschillende cellen, weefsels en organen • Celdifferentiatie • De vorming van cellen die verschillen in vorm en functie • Ontstaan na bevruchting d.m.v. specifieke verdeling cytoplasma

  6. Stamcellen • Embryo’s • Blijven over na ivf • Totipotent • Navelstreng • Bij geboorte • Multipotent • Volwassen organen • In organen • Multipotent

  7. Opdracht • Maak een samenvatting van paragraaf 4.1 en lever deze in, voorzien van naam • Opdrachten 1 t/m 7

  8. 4.2 Industrie op miniformaat • In elke cel bevinden zich organellen • Functionele eenheden van de cel • Organen van de cel • Nectar online: organellen

  9. Lees §4.2 • Maak opdracht 1-7 • Extra informatie • Nectar interactief • http://www.natuurinformatie.nl/nnm.dossiers/natuurdatabase.nl/i004630.html

  10. 4.3 Transport bij cellen • Celmembraan • Vorm • Barrière

  11. Eiwitpoort • Eiwit • Koolhydraatketen • Fosfolipide • Eiwit

  12. Celmembraan passeren

  13. Diffusie • Verplaatsing van een stof van een plaats met een hoge concentratie naar een plaats met een lage concentratie

  14. Osmose • Verplaatsing van water van een plaats met een hoge concentratie water naar een plaats met een lage concentratie water over een semi-permeabel membraan • Diffusie en osmose • De BiologieLeraar

  15. Osmose

  16. Selectief permeabel • Bepaalde stoffen worden wel en andere worden niet doorgelaten • Osmotische waarde • Concentratie opgeloste stoffen

  17. Een bepaalde cel wordt achtereenvolgens in drie verschillende keukenzoutoplossingen gelegd en bij dezelfde vergroting getekend (zie de afbeelding). Hierbij blijft de cel levend.In welke figuur heeft de getekende cel de grootste stevigheid? • Cel 2 • Noteer in welke oplossing de verschillende cellen hebben gelegen • 1: isotoon 2: hypotoon 3:hypertoon

  18. Lees §4.3 • Opdracht 1-9

  19. Samenvatten • Per paragraaf uit het hoofdstuk • Begrippen met toelichting • Paragraafkopjes met samenvatting nieuwe informatie • Bronnen in het boek met toelichting leerdoelen • Per hoofdstuk • Verband tussen de paragrafen • Koppelen aan andere hoofdstukken

  20. Maak de samenvatting direct na het afronden van de paragraaf • Stel de vraag: ‘Wat heb ik nu eigenlijk geleerd?’ • Geef zelf een toelichting van de begrippen • Noteer paragraafkopjes • Benoem de bronnen die belangrijk zijn voor jou begrip • Controleer mbv samenvatting op nectaronline

  21. 4.4 DNA: het besturingssysteem van de cel • DNA-molecuul (desoxyribonucleïnezuur) • Dubbele spiraal • Gekoppelde nucleotiden • Fosfaatgroep • Desoxyribose • Stikstofbase • Adenine (A), thymine (T), cytosine (C), guanine (G) • Altijd in vaste paren (=basenparing) • A-T en C-G • Codeert voor eiwitten

  22. Bioplek

  23. Celcyclus • Celcyclus • De periode waarin een cel ontstaat, groeit, actief is en opnieuw deelt • Vier fasen • G1-fase: groei • S-fase: DNA duplicatie • G2-fase: controle op kopieerfouten • M-fase: kerndeling

  24. Interfase • G1-fase • Toename cel omvang • cytoplasma • Aanmaak enzymen DNA duplicatie • Controle DNA • S-fase • DNA duplicatie • Verbinding tussen baseparen verbroken • Blijft op een plek nog vast zitten= centromeer • Vrije nucleotiden uit kernplasma binden aan base • Chromosoom bestaat nu uit 2 chromatiden • G2-fase • Aanmaak enzymen mitose • Controle DNA • Groei • Organellen

  25. Mitose • Kerndeling • Profase • Spiraliseren van de chromatiden • Metafase • Chromosomen bewegen midden cel • Trekdraden aan centromeer vanuit spoelfiguur • Anafase • Trekdraden trekken chromatiden van elkaar • Chromatiden bewegen elk naar een pool • Telofase • Spiralisatie chromosomen verdwijnt • http://www.bioplek.org/animaties/cel/mitose.html

  26. Worteltop ui Embryo vis De celcyclus, waarvan de interfase (A en 1) en de mitose onderdeel zijn, is een continu proces. Desalniettemin kunnen een aantal mitotische stadia onderscheiden worden, nl profase (B en 2), metafase (C en 3), anafase (midden 4 en late D en 5), telofase (E) en cytokinese (F en 6).

  27. DNA: code voor eiwitten • Eiwit bestaat uit vele aminozuren • Polypeptideketen • Lengte wordt bepaald door DNA-tripletten • Twintig aminozuren • DNA-triplet • Drie op één volgende stikstofbasen • Codeert voor één aminozuur • Meerdere codes

  28. Gen (boek: codezin) • Geeft het ‘recept’ voor het eiwit weer • Startcodon • DNA-triplet dat het begin van de codezin aangeeft • TAC • Codons • Code voor het eiwit • Stopcodon • DNA-triplet dat het einde van de codezin aangeeft • Drie DNA-tripletten (ATT, ATC, ACT)

  29. RNA • Ribonucleïnezuur • Zorgt voor de aanmaak van eiwitten in cytoplasma. • Genetische code • RNA-triplet • Drie opeenvolgende RNA basen

  30. DNA vs. RNA

More Related