1 / 54

Organisatievormen

Organisatievormen. Instituut voor de Overheid Koen Verhoest. Inhoud. Module 1: organisatievormen Module 2: organisatievormen “kiezen” Module 3: toepassingen Praktijkgetuigenissen Cases Toepassing op eigen dienst. Organisatievormen. Per vorm: Deel I vormen Wat? (kenmerken)

chumani
Download Presentation

Organisatievormen

An Image/Link below is provided (as is) to download presentation Download Policy: Content on the Website is provided to you AS IS for your information and personal use and may not be sold / licensed / shared on other websites without getting consent from its author. Content is provided to you AS IS for your information and personal use only. Download presentation by click this link. While downloading, if for some reason you are not able to download a presentation, the publisher may have deleted the file from their server. During download, if you can't get a presentation, the file might be deleted by the publisher.

E N D

Presentation Transcript


  1. Organisatievormen Instituut voor de Overheid Koen Verhoest

  2. Inhoud • Module 1: organisatievormen • Module 2: organisatievormen “kiezen” • Module 3: toepassingen • Praktijkgetuigenissen • Cases • Toepassing op eigen dienst

  3. Organisatievormen Per vorm: Deel I vormen • Wat? (kenmerken) • Subvormen - Voorbeelden (op verschillende overheidsniveaus) Deel II aandachtspunten • Sterktes & zwaktes • Aansturing • Proces= succes en faalfactoren Deel III: criteria • Criteria Extra: resultaten • Resultaten

  4. Module 1 Organisatievormen

  5. Organisatievormen • Eigen beheer • Delegatie / budgethouderschap • Interne verzelfstandiging • Externe verzelfstandiging (pub & priv) • Uitbesteding • PPS • Inschakeling not-for-profit • Privatisering

  6. 2 analysekaders “Wie doet wat?” Verdeling van de functies -Planning en normering -Productie -Financiering/bekostiging -Controle en evaluatie Verzelfstandiging en privatisering als verschuiven vanverantwoordelijkheid i.v.m. functies Inrichting van het sturingsarrangement -Inputsturing -Proces- of resultaatsturing -Koppeling van bekostiging aan resultaten -Competitie door andere aanbieders -Beheersautonomie *financieel management *personeelsmanagement Verzelfstandiging en privatisering als de verschuiving van sturing door de centrale overheid

  7. Eigen beheer

  8. Eigen beheer Publieke dienstverlening wordt verzorgd door centrale overheidsadministratie • Afdeling, administratie of departement • Provinciale administratie • Gemeentelijke administratie (vb. Dienst bevolking, stedebouw) • Variant: gedeconcentreerde buitendiensten (vb. Admin. Belastingen)

  9. Eigen beheer • Centrale overheidsdiensten hebben geen eigen rechtspersoonlijkheid • De planning, productie, financiering, controle gebeuren door centrale overheid • Strakke inputsturing door horizontale eenheden, processturing door hiërarchie, incrementele inputbekostiging, monopolie • Copernicus (federaal) en BBB (Vlaanderen): evolutie naar meer autonomie en ex post controle

  10. Delegatie/budgethouderschap

  11. Delegatie / budgethouderschap • Geen organisationele vorm van verzelfstandiging • Wel beheersautonomie (vnl. inzake financieel management) via enveloppefinanciering voor bepaalde kostensoorten • Taakstellend via explicitering van doelstellingen, opvolging en evaluatie • Kan gekoppeld worden aan mandaatfunctie • OCMW + nieuw gemeentedecreet

  12. Verzelfstandiging

  13. Verzelfstandiging Verzelfstandiging = divers fenomeen • Autonome structuren binnen kernoverheid • Autonome structuren afgesplitst van kernoverheid • In sommige gevallen rechtspersoonlijkheid • Uitgebreide beheersautonomie • Aansturing en controle

  14. Sturing van agentschappen Traditioneel • Formeel: ex ante gericht op inputs – beperkte beheersautonomie • Soms wel grote feitelijke mate van beheersautonomie / ruime mate van beleidsautonomie Nieuw • Formeel: ex post gericht op resultaat via beheersovereenkomst • Ruime formele mate van beheersautonomie mits gelijke informatie • Hercentralisering van strategische beleidsautonomie • Feitelijk: niet altijd klaar voor resultaatsturing

  15. Samenvattend

  16. Subvorm 1: interne vorm Publieke taak verzorgd door intern verzelfstandigd agentschap • Organisatie binnen centrale overheid • Rechtstreeks onder het hiërarchisch gezag van de politieke overste • Toegenomen beheersmatige autonomie: vooral financieel management - HRM autonomie afhankelijk van personeelstatuut

  17. Subvorm 1: interne vorm • Inputsturing vermindert (geen detailsturing) en meestal ook processturing door delegatie • Politieke verantwoordelijkheid van minister blijft volledig, net als zijn mogelijkheden tot interventie • Meestal geen rechtspersoonlijkheid (invloed op juridische zelfstandigheid, eigen vermogen, in rechte optreden) • Minister / regering is beheerder

  18. Subvorm 1: interne vorm Federaal en Vlaanderen - voor BBB • DAB’s • Begrotingsfondsen • Gewoon staatsbedrijf • Met rechtspersoonlijkheid: openbare instelling cat. A Vlaanderen: na BBB • IVA zonder rechtspersoonlijkheid • IVA met rechtspersoonlijkheid • Al dan niet met raadgevend comité Gemeentelijk niveau • Voor gemeentedecreet: gewoon gemeentebedrijf (“regie”) • Na gemeentedecreet: budgethouderschap, interne verzelfstandiging

  19. Subvorm 1: interne vorm Begrotingsfondsen • inkomsten uit specifieke heffingen die geoormerkt zijn • beperkte autonomie inzake begroting (analiteit en universaliteit) en financieel management: overdracht van ene begrotingsjaar naar andere, Bv. Fonds Ontwikkelingssamenwerking Diensten Afzonderlijk Beheer • beperkte autonomie inzake begroting, VWS na 1994 Staatsbedrijven met com., fin. of indus.kar., regies • beperkte autonomie inzake begroting: bv. niet-limitatieve kredieten, bv. Centrale arbeidsdienst van Bestuur van de Strafinrichtingen

  20. Subvorm 1: interne vorm Intern verzelfstandigde agentschappen • Meer beheersautonomie in ruil voor resultaatsturing (bv. contractmanagement) • minister blijft volledig verantwoordelijk, maar onthoudt zich van detailsturing tijdens contractuitvoering (gemoduleerde delegatie) • gewijzigde rol van centrale departementen • Vbn. Nederland, Verenigd Koninkrijk, Stad Antwerpen, Vlaanderen (BBB)

  21. Subvorm 1: interne vorm Openbare instellingen categorie A • eigen rechtspersoonlijkheid, • gepersonaliseerde besturen maar onder rechtstreeks hiërarchisch gezag van de regering, (vbn. OVAM, VMM, Regie der Gebouwen, BIPT, FAVV) • veelal papieren instellingen (bv. FBJ, VLIF, Limburgfonds)

  22. Subvorm 1: interne vorm Openbare instellingen categorie A Wet van 16 maart 1954: • minister heeft de beheersbevoegdheid; • minister van Financiën controle op beslissingen met fin. en budg. impact • rol voor Inspectie van Financiën • personeelsformatie en -statuut door regering bepaald • financieel: begroting en rekeningen onder minister, goedkeuring van begrotingen door parlement; na goedkeuring, mogelijkheid van niet-limitatieve kredieten, reserveren lenen en beleggen, vrijstelling visum Rekenhof

  23. Subvorm 2: externe vorm Publieke taak verzorgd door extern verzelfstandigd agentschap • Organisatie die niet onder het hiërarchisch gezag van de politieke overste valt • Eigen rechtspersoonlijkheid • Eigen patrimonium • Eigen raad van bestuur • Onder administratief toezicht • Beperkte mogelijkheid tot ministeriële interventie • Beperking van ministeriële verantwoordelijkheid • In sommige gevallen resultaatsturing

  24. Subvorm 2: externe vorm Federaal oud en Vlaanderen voor BBB • VOI cat. B • VOI cat. C • VOI cat. sui generis Vlaanderen na BBB • EVA pub Federaal nieuw • Instellingen sociale zekerheid • Autonome overheidsbedrijven  publiekrechtelijke NV’s  met partiële private aandeelhouders Gemeentelijk niveau • Voor gemeentedecreet: autonome gemeentebedrijf • Na gemeentedecreet: externe verzelfstandiging als autonoom gemeentebedrijf

  25. Extern verzelfstandigde overheidsdienst • Openbare instellingen Categorie B (C en D) en sui generis • historiek • wet van 16 maart 1954 • beheersorganen door regering benoemd op voordracht, AG • adm toezicht door minister en minister van Financiën en twee regeringscommissarissen, schorsend beroep (incl. algemeen belang) en subsitutieregeling • personeelsformatie en -statuut door regering bepaald (uitzondering voor bepaalde sui generis instellingen) • financieel: begroting en rekeningen door beheersorganen en goedkeuring door ministers, bekendmaking van begrotingen door parlement; na goedkeuring, mogelijkheid van niet-limitatieve kredieten, reserveren, lenen en beleggen, verschuiven tussen limitatieve kredieten • Vorm: Openbare instelling, CV of NV

  26. Externe verzelfstandiging onder de wet van 1954: ervaringen • Groot aantal instellingen (Vlaanderen: 34) met groot belang op financieel en personeelsvlak • Weinig heroverweging bij regionalisering • Grote heterogeniteit inzake • Rechtsvorm • Beheersorganen (samenstelling en taken) • Toezichtsregelingen • Wet van 1954 te strak  feitelijke uitholling van wet van 1954 zonder plaatsvervangende sturing • Inz. Beleidsautonomie • Inz. Beheersautonomie

  27. Federaal beleid inzake externe verzelfstandiging: periode 1990-2006 • Autonoom overheidsbedrijf • wet van 21 maart 1991: Post, Belgacom, NMBS • economisch (eenmaking europese markt), technologisch en bestuurlijke evoluties • responsabilisering i.p.v. privatisering • scheiding taken van algemeen belang en commerciële taken • verregaande beheersautonomie in ruil voor beheerscontract • beheersorganen: raad van bestuur en directiecomité, benoemt en ontslaan door de regering, college van commissarissen • beperkt administratief toezicht door één regeringscommissaris (geen algemeen belang) • autonomie inzake activiteiten, filialisering en participaties, lenen en beleggen, personeelsstatuut, onderhandelingen… • uitvoeringsimmuniteit voor goederen inzake taken van algemeen belang, onmogelijkheid van faillissement

  28. Federaal beleid inzake externe verzelfstandiging: periode 1990-2002 • Autonoom overheidsbedrijf • ervaringen: voortschrijdende liberalisering, moeilijkheid van herstructureringen (vakbonden), aantrekkelijkheid van NV-structuur, bestuursprivatisering, afzwakking van politiek primaat (weinig sanctiemogelijkheid) • Omvorming tot publiekrechtelijke NV + gedeeltelijke privatisering b.v. via beursgang (b.v. Belgacom en Post) • Sociale parastatalen (KB van 1997) • Beperkte verruiming van beheersautonomie en beheerscontract • Trage en onvolledige uitvoering • Gedrag conflicteert met contractuele relaties

  29. Federaal beleid inzake externe verzelfstandiging: periode 1990-2006 • Expliciet maar slechts partieel en gradueel • Geen duidelijke keuze voor vervanging van input- door resultaatsturing • Onvoldoende sturingscapaciteit in federale overheid • Resultaatsturing niet geoptimaliseerd

  30. Vlaams beleid inzake externe verzelfstandiging • periode ‘99-2006: expliciet, systematisch en omvattend via ontwerp kaderdecreet en sectorale screening • eenduidige categorisering met differentiatiemogelijkheid • Voorkeur IVA vs EVA, publiek vs privaat (criteria) • responsabilisering Raad van Bestuur • beheersovereenkomst en ex post toezicht & audit (quit vernietigingsrecht en dwangvoogdij ?) • participaties en filialisering • feitelijke uitvoering • Verdere differentiatie (bv; IVA met rechtspersoonlijkheid) • Splitsing beleidsvoorbereiding en -uitvoering

  31. Subvorm 2: privaatrechtelijke vorm • Organisatie die niet onder het hiërarchisch gezag van de politieke overste valt • Met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid (vb. NV of VZW vorm) • Eigen patrimonium • Eigen raad van bestuur • Veelal hybride kenmerken: • Soms onder administratief toezicht • Overheidsvertegenwoordiging in raad van bestuur • Activa en passiva van overheid • Beperking van autonomie • In sommige gevallen resultaatsturing

  32. Subvorm 2: privaatrechtelijke vorm Federaal en Vlaanderen voor BBB • Onoverzichtelijk geheel van vennootschappen en VZW’s die op één of andere wijze band hebben met overheid (oprichting, raad van bestuur, financiering, administratief toezicht) • Heterogeniteit • Juridische onduidelijkheid door driewegenleer  evolutie naar tweewegenleer Vlaanderen na BBB • EVA privaatrechtelijk Gemeentelijk niveau • Voor gemeentedecreet: gemeentelijke VZW • Na gemeentedecreet: externe verzelfstandiging in privaatrechtelijke vorm

  33. Publiek-publieke samenwerking • Besturen werken samen om dienst aan te bieden • Tussen gemeenten (decreet 2001) • Projectgewijs • Interlokale vereniging (zonder rechtspersoonlijkheid en zonder overdracht) • Projectvereniging (rechtspersoonlijkheid, maar geen overdracht) • Dienstverlenende vereniging (zonder overdracht) • Opdrachthoudende vereniging (met beheersoverdracht) • Intercommunales • Intergemeentelijke vzw’s

  34. Uitbesteding

  35. Uitbesteding Basiskenmerken Productie en/of levering van publieke diensten door private aanbieder in opdracht van overheid • Overheid doet planning, controle en bekostiging • Beperkt zich tot één fase van de levenscyclus • Aanbesteding volgens overheidsopdrachtenregelgeving

  36. Uitbesteding Subvormen en voorbeelden: • Externe en interne uitbesteding • Evolutie: aard diensten en aard relatie • Van ondersteunende diensten naar externe dienstverlening • Evolutie naar langere en omvattender contracten • Voorbeelden • Huisvuilophaling op gemeentelijk of intercommunaal vlak • IT-functie in Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap

  37. Uitbesteding Uitbestede diensten zie Kakabadse (figure 3)

  38. Verlening van concessies • Concessie-overeenkomsten: Privé-sector staat in voor bestuur, productie en financiering. Overheid controleert of de bepalingen van het lastenboek zijn vervuld, of reguleert. • Criteria: voor produktie belangrijke infrastructuur noodzakelijk (bv. telefonie, spoorwegennet, verkeersinfrastructuur) en technologie van basisinfrastructuur weinig verandert; stabiele vraag; domeinen waar overheid belangrijke verantwoordelijkheid blijft dragen (bv. keuring van voedingswaren); waarbij exploitatie weinig concurrentie • Voordeel: concurrentie bij het bieden • Voorwaarden: eerlijke gunning (wetgeving inzake gunning van de overheidsopdrachten) • bvn. liefkenshoektunnel, exploitatie en distributie van openbare nutsvoorzieningen (Belgacom) en vervoer (NMBS; busconcessies, exploitatie van luchthavens BATC).

  39. Publiek-private samenwerking

  40. Publiek-Private Samenwerking (PPS) Eén of meer publieke en één of meer private partijen stemmen hun activiteiten op enigerlei wijze op mekaar af – vanuit de eigen verantwoordelijkheden en kwaliteiten Kosten, risico’s en opbrengsten worden in een onderling overeengekomen verhouding onder de betrokken partijen verdeeld

  41. Publiek-Private Samenwerking (PPS) Verschillende vormen • Contractueel : combinaties van DFBMO • Structureel Verschillende financieringstechnieken Verschillende graden van private betrokkenheid bij publieke taak • ontwerp en creatie van infrastructuur • uitvoeren van ondersteunende taken • uitvoeren van (publieke) diensten Enge en brede vormen van PPS

  42. PPS: mogelijkheden (Vl. KC 2005)

  43. Inschakeling non profit

  44. Inschakeling non profit • Georganiseerde initiatieven vanuit burgers, vrijwilligers en non-profit organisaties (middenveld) • Meestal inschakeling via een niet-competitieve uitbesteding, sterk gereguleerde markten of via overheidssubsidie • Evolutie naar meer en meer competitieve aanbestedingen, meer vrije marktwerking, doelgebonden subsidies en contracten

  45. Vormen Niet expliciet competitief • Subsidiëring derde sector door overheid • Mate van doelgebondenheid • Outputgerelateerde financiering versus capaciteitsfinanciering • Koppeling aan contractuele afspraak in de vorm van een convenant; beheersovereenkomst • Koppeling aan aantal/aard gebruikers Wel expliciet competitief • Financiering via vouchers • Uitbesteding via tendering procedure Fundamentele keuze is partnerschap versus marktrelatie, met diverse tussenvormen

  46. Vormen Purchase of service contracting • Sociale dienstverlening: gericht op gedragsverandering en dus complex en onvoorspelbaar; arbeidsintensief; intensieve monitoring nodig; hoge mate van competitie niet altijd mogelijk of wenselijk; nood aan continuïteit en coördinatie; meestal bij non-profit organisaties • Competitieve variant; onderhandelde variant; cooperatieve variant • Scope van contract: eng – breed • Wanneer kiezen: competitie – keuze; actoren met goede reputatie; overheid genoeg informatie; overheid en actoren voldoende middelen voor contractproces; wettelijke beperkingen

  47. Vormen Vouchers • Definitie: subsidie die beperkte koopkracht geeft voor keuze tussen een beperkte set van diensten • Subsidiëring van de vraagzijde, in plaats van de aanbodzijde • Beperking van diensten – beperking van aanbieders (bv. Erkenning, vergunning) • Incentive om gedrag van gebruiker te veranderen en door aanbieders meer competitie te laten ondergaan • Adverse selection als probleem: nood aan informatie • Doelgroepgericht, budgettair goed beheersbaar; maar nood aan regulering en nood aan gedragenheid

  48. Privatisering

  49. Privatisering • Overdracht van activiteit naar privé-markt, waarbij private aanbieder zowel planning, productie, financiering als controle waarneemt • Partieel en volledige privatisering • Liberalisering en privatisering zijn niet gelijk, maar dienen wel samen te gaan • Privatisering en deregulering zijn niet gelijk: • Overheidsregulering mogelijks noodzakelijk: kwaliteit van productie, prijsregelgeving, marktstructurering • Vbn.OKI’s: ASLK, gemeentekrediet, Sabena, Belgacom

  50. Privatisering • Subvormen (OECD 2003 tabel 2.4, p. 105-106) • ‘Public share offerings’ op de aandelenmarkt (versterkt aandelenmarkt, nadeel: aandeelhouderschap is versplinterd) • ‘Trade sales’ (door onderhandeling of competitieve aanbesteding) (post- privatiserings-engagmenten mogelijk, strong governance, nadeel is mindere transparantie) • Gemengde verkopen • Buy-out door management en/of werknemers (motivatie, corporate governance versterkt, conflicten mogelijk, kleinere expert-gedreven bedrijven) • Verkoop van activa (meestal na liquidatie van overheidsbedrijf) • Massa privatisering (door vouchers aan bevolking, eerste fase van transitie economie)

More Related