Aanvulling
This presentation is the property of its rightful owner.
Sponsored Links
1 / 116

Aanvulling PowerPoint PPT Presentation


  • 204 Views
  • Uploaded on
  • Presentation posted in: General

Aanvulling. VCA - VOL. 1.1 Arbowet (1). Uitgangspunten van de Arbowet: Werkgevers en werknemers hebben op grond van de Arbowet rechten en plichten. De werkgever zorgt voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers tijdens de arbeid en voert hiervoor een beleid.

Download Presentation

Aanvulling

An Image/Link below is provided (as is) to download presentation

Download Policy: Content on the Website is provided to you AS IS for your information and personal use and may not be sold / licensed / shared on other websites without getting consent from its author.While downloading, if for some reason you are not able to download a presentation, the publisher may have deleted the file from their server.


- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - E N D - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Presentation Transcript


Aanvulling

Aanvulling

VCA - VOL


1 1 arbowet 1

1.1 Arbowet (1)

Uitgangspunten van de Arbowet:

  • Werkgevers en werknemers hebben op grond van de Arbowet rechten en plichten.

  • De werkgever zorgt voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers tijdens de arbeid en voert hiervoor een beleid.

  • Arbeid mag geen nadelige invloed hebben op de veiligheid en gezondheid van de werknemers.

  • Risico’s moeten worden voorkomen (bronaanpak).


1 1 arbowet 2

1.1 Arbowet (2)

Uitgangspunten van de Arbowet:

  • De werkgever laat zich ondersteunen in deze taak door deskundige personen of diensten.

  • De werkgever verzorgt voorlichting en onderricht voor de werknemers (werknemers dienen hier aan mee te werken).

  • Werkgevers en werknemers werken samen en overleggen met elkaar (vertegenwoordiging).

  • Verschillende werkgevers op één arbeidsplaats werken samen en coördineren hun optreden.


1 1 arbowet 3

1.1 Arbowet (3)

RI&E (wettelijke verplichting voor elke werkgever):

  • Identificeren van de gevaren.

  • Inventariseren van de risico’s.

  • Evalueren van de risico’s.

    Wettelijke vereisten:

  • RI&E zo vaak aanpassen als de situatie dat vereist.

  • Plan van Aanpak (praktische en op schrift gestelde uitwerking van de RI&E) jaarlijks opstellen.


1 1 arbowet 4

1.1 Arbowet (4)

Werkgeversverplichtingen:

  • Bevorderen van veiligheid, gezondheid en welzijn van de werknemers door preventiebeleid.

  • Voer dit beleid systematisch uit.

  • Uitvoeren van een schriftelijke risico analyse.

  • Raadplegen van deskundigen (intern of extern).

  • Overleggen met werknemers.

  • Ernstige ongevallen melden bij de Arbeidsinspectie.


1 1 arbowet 5

1.1 Arbowet (5)

Werkgeversverplichtingen:

  • Voorkomen van geweld, pesten, agressie of ongewenst seksueel gedrag op de werkplek.

  • Doeltreffende maatregelen treffen voor hulpverlening bij evacuatie en calamiteiten.

  • Toezicht op de naleving van instructies en voorschriften.

  • Verstrekken van PBM’s en toezien op het gebruik.

  • Maatregelen nemen om “derden” te beschermen.


1 1 arbowet 6

1.1 Arbowet (6)

Taken van een operationeel leidinggevende:

  • Voorstellen en adviezen geven aan de werkgever.

  • Ongevallen en incidenten onderzoeken en maatregelen voorstellen.

  • Controleren van arbeidsmiddelen en PBM’s.

  • Advies inwinnen van preventiediensten.

  • Werknemers controleren op vakbekwaamheid.

  • Toezien op de naleving van instructies en voorschriften.


1 1 arbowet 7

1.1 Arbowet (7)

Taken van een operationeel leidinggevende:

  • Controleren of werknemers informatie begrijpen en op de juiste wijze toepassen.

  • Beginnende werknemers goed (laten) begeleiden.

  • Meewerken aan risicobeheersing (RI&E en (T)RA).

  • Uitvoering van veiligheidsinspecties.

  • Organiseren van toolboxmeetings.


1 1 arbowet 8

1.1 Arbowet (8)

Waarborgen van het begrip welzijn:

  • Inrichting van de werkplek moet zijn aangepast aan de werknemer (en niet andersom).

  • Rekening houden met persoonlijke factoren (leeftijd, geslacht, kennis van de voertaal en vakmanschap).

  • Invloed van de werknemer op eigen werkzaamheden.

  • Eentonig werk zo veel als mogelijk vermijden.


1 1 arbowet 9

1.1 Arbowet (9)

Taken van de deskundige bijstand:

  • Werkgever en werknemers bijstaan in de toepassing van de V&G wetgeving.

  • Meewerken aan de RI&E.

  • Meewerken aan incidenten- en ongevallenonderzoek.

  • Adviseren van en samenwerken met de werknemers.

  • Uitvoeren van geneeskundige onderzoeken.

  • Begeleiden van zieke werknemers (reïntegratie).


1 1 arbowet 10

1.1 Arbowet (10)

Doel van gezondheidstoezicht:

  • Maatregelen voorstellen om de schade aan gezondheid tijdens het uitoefenen van het beroep te voorkomen.

    Volgens arbeidshygiënische strategie.

    Bronbestrijding.

    Collectieve bescherming (bron of mens afschermen)

    Persoonlijke bescherming.

  • Opsporen en voorkomen van beroepsziekten.

    Aandoening ten gevolge van de beroepsuitoefening.


1 1 arbowet 11

1.1 Arbowet (11)

Andere personen of derden:

  • De Arbowet kent werkgevers en werknemers. Iedereen die geen werkgever of werknemer is, valt in de zin van de Arbowet onder andere personen dan werknemers.

  • Werknemers van andere werkgevers op de werkplek.

  • Leveranciers, bezoekers, patiënten etc.

  • Omwonenden.


1 1 arbowet 12

1.1 Arbowet (12)

Voorlichting en onderricht:

  • Voor aanvang van de werkzaamheden.

  • Bij overplaatsing of verandering van werkzaamheden.

  • Bij invoering van andere werkmethoden, technologieën of arbeidsmiddelen.

  • Moet doeltreffend zijn.

    Afgestemd op de werknemer (aard, capaciteit en ervaring) en de werkzaamheden.

    Begrijpelijk en praktisch (niet alleen schriftelijk).


1 1 arbowet 13

1.1 Arbowet (13)

Inhoud voorlichting en onderricht:

  • Veiligheid, gezondheid en welzijn in het algemeen.

  • Gevaren op de werkplek.

  • Genomen maatregelen.

  • Voorschriften van de werkgever of opdrachtgever.

    Noodzaak:

  • Gehoor geven en meewerken aan veiligheid.


1 1 arbowet 14

1.1 Arbowet (14)

Werkoverleg:

  • Vindt regelmatig plaats.

  • Vindt gestructureerd plaats.

    Regelmaat.

    Agenda.

    Verslag.

  • Verloopt interactief van bovenaf en van onderaf.

    Beïnvloeding van onderaf mogelijk.


1 1 arbowet 15

1.1 Arbowet (15)

Sanctiemogelijkheden van de Arbeidsinspectie:

  • Opstellen van een boeterapport naar aanleiding van een beboetbaar feit aan de werkgever.

    Boetebedragen genoemd in de Arboregelgeving.

    Verruiming boetebedragen in de WED.

    Kan oplopen tot enkele tienduizenden euro’s.

  • Opstellen van een boeterapport naar aanleiding van een beboetbaar feit aan de werknemer.

    Boetebedragen genoemd in de Arboregelgeving.

    Kan oplopen tot enkele honderden euro’s.


1 1 arbowet 16

1.1 Arbowet (16)

Doelstelling en uitgangspunten uitzendwerk:

  • Ervoor zorgen dat uitzendkrachten dezelfde mate van bescherming op het werk krijgen.

  • Inlenende onderneming is verantwoordelijk voor de veiligheid van de uitzendkracht tijdens het werk.

  • Inlenende onderneming en uitzendbureau zijn verantwoordelijk voor de algemene voorlichting aan de uitzendkracht (werkplek en functie eisen).

  • Inlenende onderneming (operationeel leidinggevende) is verantwoordelijk voor de specifieke voorlichting.


1 2 arbeidstijdenwet

1.2 Arbeidstijdenwet

Uitgangspunten van de Arbeidstijdenwet:

  • Rekening houden met de persoonlijke situatie van de werknemer.

  • Samenhang met het te voeren Veiligheids- en Gezondheidsbeleid vanuit de Arbowet.

  • Arbeidstijdenwet geldt voor alle werknemers beneden een bepaalde salarisgrens (3x minimumloon).

    Leidinggevend en hoger personeel valt niet onder de wet.


1 3 milieuwetgeving

1.3 Milieuwetgeving

Uitgangspunten van de milieuwetgeving:

  • Productieprocessen aanpassen.

  • Uitstoot beperken.

  • Afvalstromen beperken en scheiden.

  • Zuinig en efficiënt omgaan met energie.

  • Zuinig en efficiënt omgaan met de overige natuurlijke hulpbronnen (grondstoffen etc.).


1 4 europese regelgeving

1.4 Europese regelgeving

Relatie met nationale wetgeving:

  • Een Europese richtlijn moet binnen een bepaalde periode worden omgezet in nationale wetgeving.

  • CE-markering moet door de fabrikant of importeur aangebracht worden.

    In bepaalde gevallen door notiefied body.

  • CE-markering wordt aangebracht op basis van een technisch constructiedossier en een verklaring van overeenstemming.

    Fabrikant of importeur bevestigt overeenstemming met richtlijn.


2 1 risico s 1

2.1 Risico’s (1)

Risicovolle omstandigheden:

  • Rommelige werkplek.

  • Slechte verlichting (te veel of te weinig licht).

  • Trillingen.

  • Weersomstandigheden.

  • Stof of vervuilde lucht.


2 1 risico s 2

2.1 Risico’s (2)

Risicovolle omstandigheden:

  • Werken in de omgeving van stralingsbronnen.

  • Werken in de nabijheid van verkeer.

  • Werken in een Besloten Ruimte.

  • Een moeilijk toegankelijke werkplek.

  • Werkplekken met weinig bewegingsruimte.


2 1 risico s 3

2.1 Risico’s (3)

Risicovolle omstandigheden:

  • Werkplekken met weinig vluchtwegen.

  • Werken in de nabijheid van gevaarlijke werkzaamheden.

  • Complexiteit (verschillende werkgevers op één locatie).

  • Kennis en vakbekwaamheid.

  • Welzijn van de werknemers.


2 1 risico s 4

2.1 Risico’s (4)

Preventie:

  • Voorkomen dat het risico toeneemt.

  • Maatregelen nemen om het risico te verminderen.

  • Voorkomen dat een ongeval gebeurt.

  • Schade aan de gezondheid voorkomen.

  • Schade aan het milieu voorkomen.


2 1 risico s 5

2.1 Risico’s (5)

Preventieve maatregelen:

  • Maatregelen aan de bron.

    Gevaar uitschakelen, oorzaak wegnemen, andere methode.

  • Risico beperken door collectieve bescherming.

    Bron afschermen of de mens afschermen.

    Geschiktere werkmethoden of arbeidsmiddelen.

  • Persoonlijke bescherming.

  • Overige maatregelen.

    Kennis (opleiding, informatie, instructie), signaleren (waarschuwen) en beperken blootstelling (duur, frequentie, intensiteit en aantal personen)


2 1 risico s 6

2.1 Risico’s (6)

Risicobeheersing:

  • Beleid voor preventie en VG&W mogelijk maken.

    Risicobeheerssysteem:

  • Plannen en uitvoeren van beleid (methode en taken).

  • Uitwerken van beleid (doelstellingen en middelen).

  • Evalueren en bijsturen van beleid.

  • Risico’s identificeren (zie RI&E, TRA en LMRA).


2 1 risico s 7

2.1 Risico’s (7)

Actiepunten ongevallenpreventie:

  • Vaststellen van een (meerjaren)plan om de arbeidsomstandigheden te verbeteren.

  • Het juist delegeren van taken en bevoegdheden.

  • Goede organisatie van het arbeidsomstandighedenbeleid.

  • Zorgen voor een goede overlegstructuur.

  • Beleid uitwerken in procedures en voorschriften.

  • Zorgen voor voldoende training en instructie.


2 1 risico s 8

2.1 Risico’s (8)

Actiepunten operationeel leidinggevende:

  • Toezien op de naleving van procedures en voorschriften.

  • Uitvoeren van periodieke inspecties.

  • Geven van instructie en training op de werkplek.

  • Aanpakken van onveilige handelingen en situaties en rapporteren van ongevallen.

  • Problemen bespreken tijdens het werkoverleg.

  • Regelmatige evaluatie van verbeterpunten.


2 1 risico s 9

2.1 Risico’s (9)

Actieplan (plan van aanpak):

  • Schriftelijk verslag van de resultaten van RI&E of (T)RA en de te nemen maatregelen op de werkvloer.

  • Uitvoering van maatregelen borgen en herhaling van incidenten voorkomen.

  • Inhoud:

    Te treffen maatregelen, middelen, mensen en kosten.

    Termijn van uitvoering en de verantwoordelijken hiervoor.

    Opvolging, evaluatie en eventuele vervolgmaatregelen.


2 2 ongevallentheorie 1

2.2 Ongevallentheorie (1)

Onveilige handelingen / situaties:

Directe oorzaken

  • Substandaard handelingen.

  • Substandaard condities.

    Ongevallenpiramide:

  • Veel situaties kunnen leiden tot een ongeval.

  • Voorkomen en bestrijden van alle onveilige handelingen en onveilige situaties.


2 2 ongevallentheorie 2

2.2 Ongevallentheorie (2)

Fasen van de oorzaken-gevolgenreeks:

  • Achtergrond (organisatie).

  • Menselijk falen.

  • Onveilige handelingen / situaties.

  • Ongeval.

  • Letsel / schade.

    Een ongeval is het resultaat van verschillende oorzaken op

    Verschillende niveaus binnen het bedrijf. Het beleid moet

    op al deze niveaus gericht zijn.


2 2 ongevallentheorie 3

2.2 Ongevallentheorie (3)

Achtergrond (organisatie):

Gebrek aan beheersing

  • Onvoldoende activiteiten gericht op het voorkomen van ongewenste situaties.

  • Onvoldoende richtlijnen voor preventie of repressie.

  • Niet naleven van richtlijnen.


2 2 ongevallentheorie 4

2.2 Ongevallentheorie (4)

Menselijk falen:

Basis oorzaken

  • Persoonsgebonden factoren.

    Onvoldoende kennis en ervaring.

    Onvoldoende motivatie en aandacht.

  • Taakgebonden factoren.

    Onvoldoende / onjuiste werkmethoden, leiding of toezicht.

    Onvoldoende tijd voor de werkzaamheden.

    Onvoldoende of onveilige materialen, gereedschappen of apparatuur.


2 2 ongevallentheorie 5

2.2 Ongevallentheorie (5)

Actiepunten voor ongevalpreventie:

  • De mens.

    Kennis, vaardigheden en gedrag.

  • De organisatie.

    Werkmethoden en leidinggeven / toezicht.

  • De techniek.

    Machines (CE-markering), onderhoud en ergonomie.

  • De omgeving.

    Inrichting van de werkplek en bescherming tegen omgeving.


2 2 ongevallentheorie 6

2.2 Ongevallentheorie (6)

Incidentregistratie:

  • Alle incidenten moeten geregistreerd worden.

  • Registratie op een registratieformulier.

  • Vastleggen van gegevens voor het bedrijfsbeleid.

  • Leren van ongevallen en incidenten.

  • Voldoen aan wettelijke verplichtingen.


2 2 ongevallentheorie 7

2.2 Ongevallentheorie (7)

Ongevallenonderzoek:

  • Achterhalen welke factoren de oorzaak zijn geweest.

  • Voorstellen doen om herhaling te voorkomen.

    Uitvoering:

  • Onderzoek ter plaatse / feiten verzamelen.

  • Getuigen en betrokkenen interviewen.

  • Analyse van de onderzoeksresultaten.

  • Eindrapport met conclusies en aanbevelingen.


2 2 ongevallentheorie 8

2.2 Ongevallentheorie (8)

Onderzoek ter plaatse / feiten verzamelen:

  • Zo snel mogelijk.

  • Maak schetsen / tekeningen en verzamel documenten.

  • Kijk naar de plaatselijke omstandigheden.

  • Neem monsters op de plaats van het ongeval.

  • Bewaar het bewijsmateriaal op een geschikte plaats.

  • Leg vast hoe de gegevens zijn verkregen.


2 2 ongevallentheorie 9

2.2 Ongevallentheorie (9)

Getuigen en betrokkenen interviewen:

  • Leg vooraf vast wie moet worden geïnterviewd.

  • Interview elk slachtoffer en de getuigen.

  • Voorkom verminking van getuigeninformatie.

  • Zoek naar oorzaken en niet naar schuldigen.

  • Leg getuigenverklaringen vast.

  • Geef terugkoppeling naar de geïnterviewden.


2 2 ongevallentheorie 10

2.2 Ongevallentheorie (10)

Eindrapport:

  • Omschrijving van het incident / ongeval.

  • Overzicht van feiten en gegevens.

  • Analyse van feiten en gegevens.

    Visgraatmethode.

    Feitenboomanalyse.

    SOAT.

  • Conclusies en aanbevelingen om herhaling te voorkomen.


3 1 gevaarlijke stoffen 1

3.1 Gevaarlijke stoffen (1)

Factoren die de vergiftiging beïnvloeden:

  • Eigenschappen van de stof.

    Giftigheid en aard van de stof (stof, nevel, gas, damp).

    Blootstelling (duur en concentratie).

  • Overige factoren.

    Mate van fysieke inspanning.

    Leeftijd, gewicht en conditie van het slachtoffer.

    Grootte van het huidoppervlak.

    Dikte van de huid.


3 1 gevaarlijke stoffen 2

3.1 Gevaarlijke stoffen (2)

Effecten op het lichaam:

  • Acute vergiftiging.

    Vergiftiging direct tijdens of na de blootstelling (koolmonoxide).

  • Chronische vergiftiging.

    Vergiftiging na langdurige en herhaalde blootstelling (oplosmiddelen, lage dosis zware metalen, asbest).

  • Effecten.

    Hoofdpijn, duizeligheid en evenwichtsstoornissen.

    Maagkrampen, braakneigingen of misselijkheid.

    Hartkloppingen, benauwdheid, allergie of wazig / dubbel zien.


3 1 gevaarlijke stoffen 3

3.1 Gevaarlijke stoffen (3)

Maatregelen tegen gevaarlijke stoffen:

  • Maatregelen aan de bron.

    Andere producten gebruiken (water i.p.v. oplosmiddelen).

    Andere vorm gebruiken (tabletten i.p.v. poeder of stof).

  • Technische, collectieve en organisatorische maatregelen.

    Plaatselijke afzuiging, ventilatie.

    Mens en bron scheiden of afschermen.

  • Persoonlijke beschermingsmiddelen.


3 1 gevaarlijke stoffen 4

3.1 Gevaarlijke stoffen (4)

Oriënterend werkplekonderzoek:

  • Het bepalen van de mogelijke risico’s bij het werken met gevaarlijke stoffen.

  • Het zo nodig opstellen van strikte regels voor het omgaan met deze stoffen.

    Monitoring tijdens het werk:

  • Tijdens het werk meten van mogelijke blootstelling.

  • Beoordelen van de uitkomst aan de grenswaarden.


3 1 gevaarlijke stoffen 5

3.1 Gevaarlijke stoffen (5)

Veiligheidsinformatieblad:

  • Informatie over de gevaren van de betreffende stof.

  • Informatie over de te nemen veiligheidsmaatregelen.

  • Eigenschappen van de stof.

    Grenswaarde (MAC-waarde).

    Samenstelling en wijze van opname.

    Wijze van opslag en behandeling.

    Directe gevaren en eerste hulp.

    Etikettering.


3 1 gevaarlijke stoffen 6

3.1 Gevaarlijke stoffen (6)

Gevarendiamant:

  • Rode vlak (F-vlak): brandgevaar.

  • Blauwe vlak (H-vlak): gezondheidsrisico.

  • Gele vlak (R-vlak): reactiviteit of instabiliteit.

  • Witte vlak: aanvullingen, specifieke gevaren.

    Radioactief, niet blussen met water (reactie).

  • 0 t/m 4 (oplopend gevaar).


3 1 gevaarlijke stoffen 7

3.1 Gevaarlijke stoffen (7)

Etiketten van gascilinders:

  • Naam, adres en telefoonnummer van de fabrikant of importeur.

  • Naam van het product.

  • R-zinnen.

  • S-zinnen.

  • Gevaarsymbolen.


3 1 gevaarlijke stoffen 8

3.1 Gevaarlijke stoffen (8)

Asbest:

  • Wettelijke bepalingen.

    Inventarisatie van aanwezig asbest binnen bedrijf.

    Verbod op het verwerken en bewerken van asbest.

    Gescheiden inzameling van asbest houdend materiaal.

    Label aanbrengen op plaatsen waar contact aanwezig is.

  • Wat mag verwijderd worden.

    Pakkingen die zonder te breken of te verspanen verwijderd kunnen worden.


3 1 gevaarlijke stoffen 9

3.1 Gevaarlijke stoffen (9)

Asbest locaties:

  • Warmte-isolatie aan diverse toestellen en uitrusting.

    Brandwerend maken van (staal) constructies, bemetseling van fornuizen, ketels en tanks, en brandwerende dekens.

  • Isolatie elektrische apparatuur en afdichtingmateriaal.

  • Remvoeringen.

  • Rioolbuizen.

  • Vloerbedekking, dak- en wandbeplating.


3 1 gevaarlijke stoffen 10

3.1 Gevaarlijke stoffen (10)

Asbestverdacht materiaal:

  • Werk onmiddellijk stilleggen bij vermoeden van asbest.

  • Vaststellen of het om asbest gaat.

    Monstername en onderzoek door onafhankelijk laboratorium.

    Gevaren voor de gezondheid:

  • Kans op asbestose.

  • Kans op mesothelioom.

  • Kans op asbestlongkanker.


4 1 gevaren en begrippen

4.1 Gevaren en begrippen

Katalyse:

  • Beïnvloeden van de reactiesnelheid (brand).

  • Positief (bevorderend) of negatief (vertragend).

    Invloed van de brand:

  • Rook- en verbrandingsgassen.

    Beperkt zicht, mogelijk giftig of schadelijk, lichter dan lucht.

  • Hitte.

    Opwarming van producten in de omgeving (zelfontbranding).

    Ontploffingsgevaar (gasflessen) en slechte benadering.


4 3 blusmiddelen 1

4.3 Blusmiddelen (1)

Bluseigenschappen:

  • Water.

    Temperatuurverlagend, groot afkoelend vermogen.

    Zuurstofverdringing door stoomvorming.

  • Schuim.

    Zuurstofafsluitend en afkoelend.

    Speciaal schuim is niet elektrisch geleidend.

  • Zand.

    Zuurstofafsluitend.


4 3 blusmiddelen 2

4.3 Blusmiddelen (2)

Bluseigenschappen:

  • Bluspoeder.

    Negatieve katalyse (remt de verbrandingsreactie).

    Beperkt zuurstofverdringend en temperatuurverlagend.

  • Kooldioxide.

    Sterk zuurstof verdringend (pas op in kleine ruimten).

    Beperkte afkoeling van de lucht.

  • Branddekens.

    Zuurstofafsluitend.

    Bij brandende producten of personen op een vlakke grond.


4 4 hoe te handelen 1

4.4 Hoe te handelen (1)

Explosiegevaarlijke zones:

  • Zones

    0, 1 en 2 voor gassen en 20, 21 en 22 voor stof.

  • Mogelijke producten binnen de zones.

    Brandbare gassen, dampen, stofwolken of vloeistoffen met een vlampunt lager dan de omgevingstemperatuur.

  • Aandachtspunten.

    Goedgekeurde, schriftelijke vergunning.

    Arbeidsmiddelen, PBM’s en maatregelen volgens vergunning.

    Geschreven instructies aanwezig en passende opleidingen.


4 4 hoe te handelen 2

4.4 Hoe te handelen (2)

Meten in explosiegevaarlijke zones:

  • Bij de opstelling rekening houden met gasontsnapping, windrichting, dichtheid van gas en afstand tot de bron.

  • Bij alarmsignaal van de meter alle ontstekingsbronnen uitschakelen, de zone verlaten en het alarm melden aan operations.

  • Bij ander alarmsignaal alle ontstekingsbronnen uitschakelen en de zone verlaten.


5 4 elektriciteit 1

5.4 Elektriciteit (1)

Factoren bij elektrocutie:

  • Weg van de stroom door het lichaam (hart).

  • Stroomsterkte (spanning en weerstand).

  • Lichamelijke

    conditie.

  • Tijdsduur.

    1: Nauwelijks waarneembaar

    2: Waarneembaar, geen letsel

    3: Waarneembaar, kleine kans op letsel

    4: < 50% kans op verstoring van hartslag

    5: > 50% kans op verstoring van hartslag


5 4 elektriciteit 2

5.4 Elektriciteit (2)

Elektrocutie:

  • Effecten bij een stroomdoorgang van 30 mA.

    Stijging van de bloeddruk, moeilijke,onregelmatige hartslag, bewusteloosheid, verkramping en hartkamerfibrillatie.

  • Gelijkspanning is minder gevaarlijk dan wisselspanning.

  • Veilige spanning.

    Maximaal 50 Volt wisselspanning of 120 Volt gelijkspanning.

  • Gelijkspanning geeft bij kortsluiting een grotere vlamboog dan wisselspanning.


5 4 elektriciteit 3

5.4 Elektriciteit (3)

Leek:

  • Iemand die niet elektrotechnisch deskundig is.

  • Geen bevoegdheden bij elektrische installaties.

    Voldoende Onderricht Persoon (VOP).

  • Iemand die voldoende geïnstrueerd is door een vakbekwaam persoon om gevaren te voorkomen.

  • Mag zorgvuldig omschreven en aantoonbaar geïnstrueerde werkzaamheden uitvoeren (onder regelmatig toezicht).


6 2 sloop en graafwerkzaamheden

6.2 Sloop- en graafwerkzaamheden

Verplichting volgens Grondroerdersregeling:

  • Informatie uitwisseling tussen netbeheerder en graver.

  • Opvragen van liggingsgegevens en zorgvuldig graven in de omgeving van leidingen.

  • Melding van alle graafactiviteiten bij KLIC (Kabels en Leidingen Informatie Centrum) / Kadaster.

  • Melding van afwijkende (>1m) ligging en aanwezigheid van onbekende leiding (weesleiding) bij KLIC / Kadaster.

  • Alleen graven wanneer informatie beschikbaar is.

  • Melden van schade aan de netbeheerder.


6 4 ergonomie 1

6.4 Ergonomie (1)

Ergonomische werkomstandigheden:

  • Omgevingsfactoren.

    Licht

    Geluid

    Klimaat

    Trillingen

  • Lichamelijke belasting.

    Inspanning

    Beweging

    Werkhouding


6 4 ergonomie 2

6.4 Ergonomie (2)

Licht:

  • Lichtsterkte neemt toe met de detaillering.

  • Oudere werknemers hebben meer licht nodig.

  • Contrasten mogen niet te groot zijn.

  • Weerspiegeling van licht voorkomen.

  • Nieuwe lampen geven meer licht dan oudere lampen.

  • Voldoen aan bestaande regelgeving.


6 4 ergonomie 3

6.4 Ergonomie (3)

Geluid:

  • Geluidsdruk.

    Verdubbeling van de afstand geeft vermindering van 6 dB(A).

    Twee gelijke bronnen verhogen geluidsniveau met 3 dB(A).

    Ongelijke geluidsbronnen verhogen met 0 – 3 dB(A) (tabel).

  • Beheersmaatregelen.

    Geluidsniveau van de bron verminderen.

    Geluidsbron afschermen.

    Geluid in de omgeving dempen.

    PBM’s: vanaf 80 dB(A) verstrekken en mogelijk gehooronderzoek.

    vanaf 85 dB(A) draagplicht, beheersplan en signalering.


6 4 ergonomie 4

6.4 Ergonomie (4)

Klimaat:

  • Factoren op het werkcomfort.

    Klimatologische omstandigheden.

    Inspanning en kleding.

  • Factoren op de werkplek.

    Omgevingstemperatuur en stralingswarmte.

    Luchtvochtigheid en luchtbewegingen.

  • Beheersmaatregelen.

    Temperatuur beheersen, geen hinderlijke luchtbewegingen, blootstelling beperken, PBM’s en vochtbalans op peil houden.


6 4 ergonomie 5

6.4 Ergonomie (5)

Trillingen:

  • Hand- en armtrillingen (door gereedschap).

    Pijn in handen en armen, beschadiging van bloedvaten of gewrichten, gevoelloze vingertoppen en witte vingers.

  • Lichaamstrillingen (door voertuig, installatie of vloer).

  • Gezondheidsklachten.

    maag- en rugklachten, vermoeidheid, hoofdpijn, verminderde concentratie of aandoeningen aan het evenwichtsorgaan.

  • Beheersmaatregelen.

    Aandacht bij aanschaf machines, aanbrengen van demping (handvat of handschoenen), technieken en blootstellingsduur.


6 4 ergonomie 6

6.4 Ergonomie (6)

Lichamelijke belasting:

  • Invloeden.

    Zwaarte van het werk (mate van inspanning).

    Bewegingen en werkhouding.

  • Risico factoren.

    Duur van de inspanning en bovenmatige inspanningen.

    Langdurige of verkeerde houding.

    Trillingen en repeterende handelingen.

  • Rustpauzes voorkomen overbelasting.


6 4 ergonomie 7

6.4 Ergonomie (7)

Statische belasting:

  • Veroorzaakt door het aanhoudend spannen van spieren.

  • Verminderde doorbloeding, gevoelloosheid, spierpijn of kramp of chronische vermoeidheid.

    Dynamische belasting:

  • Veroorzaakt door beweging van spieren (afwisselend aanspannen en ontspannen).

  • Vermoeidheid, spierpijn of letsel.


6 4 ergonomie 8

6.4 Ergonomie (8)

Mentale belasting:

  • Werkdruk, stress en werkonzekerheid.

  • Taak in relatie tot de capaciteit.

  • Hiërarchische relaties en relatie met collega’s.

  • Fysische arbeidsomstandigheden.

  • Arbeidstijden regelingen.

  • Infrastructuur en uitrusting.


6 4 ergonomie 9

6.4 Ergonomie (9)

Handmatig tillen:

  • Belastbaarheid hangt af van de mate waarin een mens fysiek in staat is om te tillen.

  • Risicofactoren.

    Horizontale (lichaam en last) en verticale afstand (last en grond).

    Verplaatsingsafstand (horizontaal en verticaal) en frequentie.

    Draaiing van het bovenlichaam t.o.v. het onderlichaam.

    Gewicht van de last en afmeting t.o.v. het zwaartepunt.

    Contact(oppervlak) tussen de handen en de last.


6 4 ergonomie 10

6.4 Ergonomie (10)

Organisatie van veilig handmatig tillen:

  • Laat werknemers zelf het tempo bepalen.

  • Las korte pauzes in.

  • Verdeel de werkzaamheden over meer mensen.

  • Geen lasten laten tillen door zwangere vrouwen in de laatste drie maanden van hun zwangerschap.


6 4 ergonomie 11

6.4 Ergonomie (11)

Veiligheidsmaatregelen bij handmatig tillen:

  • Als het werk niet veilig kan worden uitgevoerd moet het tillen op een andere manier worden gedaan.

  • Als de belasting niet kan worden verminderd moet de werkgever hulpmiddelen beschikbaar stellen en laten gebruiken.

  • Verzorgen (werkgever) en volgen (werknemer) van een instructie voor het veilig tillen en verplaatsen.

  • Gezondheidstoezicht bij risico op rugletsel.


6 4 ergonomie 12

6.4 Ergonomie (12)

Zittend en staand werk:

  • Correct zitten en optimale werkhouding.

    Regelmatig van werkhouding wisselen (zitten,lopen, staan).

    Ondersteuning van bovenbenen op het zitvlak van de stoel, goede stand van de rug en ontlasting van de schouders (leuning).

  • Voorkeur voor staand werk boven zittend werk.

    Bij voldoende beenruimte, bij kracht groter dan 4,5 kg.

    Bij laag, hoog of ver reiken van het lichaam.

    Als er moet worden opgestaan of neerwaartse krachtuitoefening.

  • Stasteun als hulpmiddel bij staand werk.


6 5 straling 1

6.5 Straling (1)

Ioniserende straling:

  • Straling die in staat is elektrisch geladen deeltjes (ionen) in bestraald materiaal te laten ontstaan.

  • Hierdoor verandert de structuur van het materiaal.

  • Ontstaat bij of komt vrij bij:

    Winning van aardgas en verwerking van erts.

    Geneeskunde en verpleging.

    Kerncentrales.

    Detectie- en meetapparatuur.

    Materiaalcontrole (bijvoorbeeld door röntgen onderzoek).


6 5 straling 2

6.5 Straling (2)

Radioactieve stoffen:

  • Stof die ioniserende straling uitzendt.

  • Natuurlijke radioactiviteit ontstaat bij natuurlijke stoffen die ioniserende straling uitzenden.

  • Blootstellingsfactoren.

    Afstand tot de bron.

    Soort radioactieve stof.


6 5 straling 3

6.5 Straling (3)

Veiligheidsmaatregelen:

  • Algemeen.

    Zo ver mogelijk verwijderd blijven, besmetting vermijden.

    Gebied afzetten, PBM’s gebruiken, waarschuwen en meten.

  • Werknemer.

    Meten en opvolgen van opgenomen persoonlijke stralingsdosis.

    Periodieke medische keuring ondergaan.

  • Stralingsdeskundige.

    Toezicht op stralingsveiligheid en hygiëne.

    Controleren op besmettingen, maatregelen voorschrijven en zo nodig het werk stilleggen.


6 5 straling 4

6.5 Straling (4)

Niet-ioniserende straling:

  • Overige straling die niet in staat is om ionen te laten ontstaan.

  • Soorten straling.

    Microgolven, Ultra Violette straling, Infra Rode straling, zonlicht, radiogolven en laserstralen.

    Veiligheidsmaatregelen:

  • Aandacht voor instructie en informatie op toestellen.

  • Respecteer instructies (duur en gebruik) en opgegeven veiligheidsafstanden.


8 1 procedures algemeen

8.1 Procedures algemeen

Algemene voorlichting:

  • Voorlichting die voor iedereen van toepassing is.

    Algemene voorschriften VGM, brand en alarm.

    Procedures en richtlijnen (melding ongevallen).

    PBM’s en werkplek (functie-eisen, gevaren, maatregelen).

    Specifieke voorlichting:

  • Voorlichting die in specifieke gevallen nodig is.

    Werkplekgebonden V&G regels.

    V&G regels t.a.v. installatie, machines of arbeidsmiddelen.

    Bedrijfsgebonden gegevens (gevarenzones, evacuatie etc.).


8 2 veiligstellen van de werkplek

8.2 Veiligstellen van de werkplek

Veiligheidssignalering op de werkplek:

  • Zodanig aanbrengen dat ze worden opgemerkt door degene waarvoor ze zijn bedoeld.

  • Vormgeving eenduidig (duidelijk voor betrokkenen).

  • Bij voorkeur pictogrammen.

  • Zo min mogelijk verklarende tekst.

  • Grootte afhankelijk van de benodigde leesafstand.


8 4 werkvergunning 1

8.4 Werkvergunning (1)

Werkvergunning:

  • Wat houden de werkzaamheden in.

  • Hoe en waar worden de werkzaamheden uitgevoerd.

    Ondertekening:

  • Degene die ondertekenen gaan akkoord met de inhoud.

    Vergunning verstrekker.

    Vergunninghouder.

    In sommige gevallen door leidinggevenden en uitvoerenden.


8 4 werkvergunning 2

8.4 Werkvergunning (2)

Maatregelen door de verstrekker:

  • Maatregelen om veilig te kunnen werken.

  • Veilig stellen van de installatie (steekflenzen, LOTO).

  • Veilig stellen van de werkplek (metingen, detectie).

    Maatregelen door de houder:

  • Veiligheidsmaatregelen voor operationele medewerkers.

  • Persoonlijke beschermingsmiddelen.


8 4 werkvergunning 3

8.4 Werkvergunning (3)

Maatregelen door de leidinggevende:

  • Alle maatregelen grondig doorspreken met de operationele medewerkers.

  • Zorgen dat de werkvergunning altijd op de werkplek aanwezig is.

  • Controleren van de maatregelen die zowel de verstrekker als de houder volgens de werkvergunning moet nemen.


8 4 werkvergunning 4

8.4 Werkvergunning (4)

Heetwerkwacht (bij heetwerkvergunning):

  • Heeft een aanvullende opleiding.

  • Neemt preventieve acties om brand te voorkomen.

  • Houdt toezicht op de eisen uit de heetwerkvergunning.

  • Schakelt hulpdiensten in bij het ontstaan van brand.

  • Blust beginnende brand voor de interventieploeg komt.

  • Past zo nodig eerste hulp toe.


10 taak risico analyse 1

10 Taak-Risico-Analyse (1)

Risicovolle werkzaamheden:

  • Werkzaamheden in een risicovolle omgeving of risicovolle werkzaamheden, vastgelegd in de RI&E of een (T)RA.

    Voor aanvang:

  • WV en (T)RA beschikbaar en de inhoud is bekend.

  • Verwijzing naar bedrijfsvoorschriften van opdrachtgever.

  • Pas beginnen als aan alle voorwaarden is voldaan.

  • Voor aanvang een LMRA uitvoeren.


10 taak risico analyse 2

10 Taak-Risico-Analyse (2)

Leidinggeven bij risicovolle werkzaamheden:

  • De naleving van de gemaakte afspraken regelmatig controleren.

  • Afgesproken beheersmaatregelen naleven.

  • Voldoende aanwezig zijn.

  • Ingrijpen als afgeweken wordt van de gemaakte afspraken in WV of (T)RA.


10 taak risico analyse 3

10 Taak-Risico-Analyse (3)

Opstellen van een TRA:

  • Indien er geen procedure beschikbaar is.

  • Bij opstellen en evalueren van procedures.

  • Nieuwe projecten en nieuwe machines.

  • Bij nieuwbouw of verbouw.

  • Indien de RI&E dit uitwijst.

  • Indien de uitwerking van beleid dit vereist.


10 taak risico analyse 4

10 Taak-Risico-Analyse (4)

V&G actieplan:

  • Op schrift gesteld uitvoeringsplan voor verbetering van de arbeidsomstandigheden.

    Inhoud V&G actieplan:

  • Te bereiken doelstellingen.

  • Concrete preventiemaatregelen.

  • In te zetten middelen (organisatorisch, financieel, materieel).

  • Taakverdeling.


10 taak risico analyse 5

10 Taak-Risico-Analyse (5)

Gedragsregels bij afwijkingen:

  • Werkzaamheden eerst laten stoppen.

  • (T)RA aanpassen.

  • Aangepaste (T)RA bespreken met alle betrokkenen.

    Operationeel medewerkers.

    Supervisor of opdrachtgever.

    Preventiemedewerker.

    Veiligheidskundigen.


10 taak risico analyse 6

10 Taak-Risico-Analyse (6)

Bijstellen van een TRA:

  • Als het originele werkplan (inclusief TRA) niet meer uitvoerbaar is.

  • Wanneer de juiste gereedschappen en middelen niet beschikbaar zijn.

  • Als de installatie niet druk-, product- of spanningsvrij is.

  • Wanneer de omstandigheden zijn veranderd.


10 taak risico analyse 7

10 Taak-Risico-Analyse (7)

Werkvoorbereiding:

  • Het vaststellen van een werkwijze die veilig is en geen gezondheidsschade veroorzaakt.

  • Tijdsplanning voor het totale werk.

  • Volgorde waarin werkzaamheden veilig kunnen worden uitgevoerd.

  • Welke materialen, gereedschappen, machines, tijd en maatregelen zijn nodig voor een veilige uitvoering.


10 taak risico analyse 8

10 Taak-Risico-Analyse (8)

Risico communicatie:

  • Voor aanvang van de werkzaamheden.

  • Bij voorkeur op de werkplek.

  • Verschillende methoden.

    Vergadering met opdrachtgever(s) en alle bij het project betrokken aannemers (kickoff meeting).

    Overleg tussen leidinggevenden en operationele medewerkers tijdens de loop van het project (startwerkmeeting).

    Bij verandering van ploegen (shiftoverdracht).

    VGM bijeenkomsten (toolboxmeetings) met operationele alle medewerkers.


11 veiligheidsgedrag 1

11 Veiligheidsgedrag (1)

Veiligheidsgedrag:

  • Belangrijke oorzaak van ongevallen (menselijke factor), ook door het accepteren van bepaald gedrag.

    Gedragsbeïnvloeding:

  • Beleid gericht op betere veiligheidsprestaties.

    Duidelijk geformuleerde opdrachten en doelstellingen.

    Duidelijk geformuleerd gewenst en ongewenst gedrag.

    Prioriteit van veilig werken / sancties en beloning.

    Duidelijke communicatie en bewustwording.


11 veiligheidsgedrag 2

11 Veiligheidsgedrag (2)

Oorzaken van onveilig gedrag:

  • Gebrek aan leiderschap, tolereren van overtredingen.

    Leidinggevende, bepaalt, houdt toezicht en informeert.

  • Ontbreken van een voorbeeldfunctie.

  • Gebrek aan kennis of informatie (niet weten).

  • Gebrek aan vaardigheden of aanwijzingen (niet kunnen).

  • Gebrek aan motivatie of onwil (niet willen).

  • Tegenstrijdige doelstellingen, belangen of opdrachten.


11 veiligheidsgedrag 3

11 Veiligheidsgedrag (3)

Maatregelen om veilig te kunnen werken:

  • Gestructureerd overleg.

  • Observeren van veiligheidsgedrag.

  • Juiste man op de juiste plaats.

  • Goede informatie, introductie.

  • Vragen en klachten op de juiste wijze afhandelen.

  • Zorgen voor alle noodzakelijke (primaire) voorzieningen.


11 veiligheidsgedrag 4

11 Veiligheidsgedrag (4)

Gedragsregels om veilig te kunnen werken:

  • Iedereen houdt zich aan de veiligheidsvoorschriften.

  • Spreek elkaar aan op onveilige handelingen.

  • Grijp in bij onveilige situaties.

  • Stel vragen bij onduidelijkheden.

  • Geef het goede voorbeeld.

  • Reageer en handel consequent.


11 veiligheidsgedrag 5

11 Veiligheidsgedrag (5)

Gedragsregels om veilig te kunnen werken:

  • Houdt toezicht en corrigeer indien nodig.

  • Wees ook kritisch op het eigen functioneren.

  • Win advies in bij twijfel.

  • Houdt rekening met meningen, voorstellen, wensen en adviezen van anderen.

  • Geef duidelijke en overtuigende instructies (hoe en waarom).


11 veiligheidsgedrag 6

11 Veiligheidsgedrag (6)

Gedragsbeïnvloeding:

  • Veilig gedrag stimuleren.

    Succes van veilig gedrag benadrukken.

    Nadelen van veilig gedrag verminderen.

  • Onveilig gedrag afremmen.

    Gevolgen van onveilig werken verduidelijken.

    Mogelijkheden tot onveilig gedrag bemoeilijken.


11 veiligheidsgedrag 7

11 Veiligheidsgedrag (7)

Succes van veilig gedrag benadrukken:

  • Veiligheidsonderwerpen regelmatig positief bespreken.

  • Duidelijke en overtuigende instructies.

  • Veilig gedrag positief beoordelen en waarderen.

  • Het goede voorbeeld geven.

  • Veilig werken zien als goed vakmanschap.


11 veiligheidsgedrag 8

11 Veiligheidsgedrag (8)

Nadelen van veilig gedrag verminderen:

  • Zorgen voor hanteerbare en werkbare veiligheidsvoorschriften.

  • Goede bereikbaarheid van veiligheidsvoorzieningen.

  • Comfortabele PBM’s.

  • Geef voldoende tijd om veilig te kunnen werken.


11 veiligheidsgedrag 9

11 Veiligheidsgedrag (9)

Gevolgen van onveilig werken verduidelijken:

  • Geef informatie over de gevaren.

  • Ongevallen bespreken.

  • Gevolgen van ongevallen tonen.

  • Instructie geven over het voorkomen van onveilige handelingen en onveilige situaties.


11 veiligheidsgedrag 10

11 Veiligheidsgedrag (10)

Mogelijkheden tot onveilig gedrag bemoeilijken:

  • Aanbrengen van omheiningen en afzettingen.

  • Apparatuur functioneert alleen met werkende en bijbehorende beveiligingen.

  • Slechte materialen en gereedschappen verwijderen.

  • Sancties stellen bij onveilig gedrag.


11 veiligheidsgedrag 11

11 Veiligheidsgedrag (11)

Taak van de leidinggevende:

  • Inzicht in de aard en capaciteit van medewerkers.

  • Geen opdrachten boven of onder de capaciteit.

  • Houdt rekening met meningen, wensen en adviezen.

  • Evalueer gedrag en veiligheidsprestaties.

  • Beoordeel medewerkers zo objectief mogelijk.

  • Laat de medewerker in zijn waarde als vakman.


11 veiligheidsgedrag 12

11 Veiligheidsgedrag (12)

Taak van de leidinggevende:

  • Zorg voor een gezonde dosis zelfkritiek.

  • Voorkom emotionele situaties.

  • Wees niet bazig.

  • Luister goed naar anderen.

  • Vertel niet alleen hoe, maar ook waarom.

  • Geef het goede voorbeeld.


11 veiligheidsgedrag 13

11 Veiligheidsgedrag (13)

Veiligheidsobservatierondes:

  • Verhogen het veiligheidsbewustzijn en geven een goed inzicht over de veiligheidssituatie op de werkplek.

  • Vraag of je een observatie mag uitvoeren.

  • Trek er voldoende tijd voor uit.

  • Maak duidelijk wat de bedoeling is.

  • Observeer één persoon tegelijk (niet de hele groep).

  • Observeer werkzaamheden en let op veiligheidsgedrag.


11 veiligheidsgedrag 14

11 Veiligheidsgedrag (14)

Veiligheidsobservatierondes:

  • Controleer de naleving van procedures en voorschriften.

  • Maak notities.

  • Kijk, luister, interview, adviseer en maak afspraken.

  • Informeer de betrokkene (zowel over de positieve als negatieve aspecten).

  • Laat de betrokkene in zijn waarde.

  • Ga in op verandering van gedrag door aanwezigheid.


11 veiligheidsgedrag 15

11 Veiligheidsgedrag (15)

Onderwerpen veiligheidsobservaties:

  • Gebruik van PBM’s.

  • Opstelling en handeling van personen.

  • Gebruik van gereedschap en apparatuur.

  • Orde en netheid.

  • Toepassen van procedures en voorschriften.

  • Rapporteer bevindingen, mogelijkheden van veilig gedrag en inzichten van observator en medewerker.


11 veiligheidsgedrag 16

11 Veiligheidsgedrag (16)

Werkplekinspecties:

  • Verhogen het veiligheidsbewustzijn en geven inzicht in de veiligheidssituatie op de werkplek.

  • Neem er voldoende tijd voor (ongeveer 30 minuten).

  • Regelmatig herhalen (minimaal een maal per maand).

  • Observeer met twee, maximaal drie personen.

  • Voorkom verstoring van de werkzaamheden.

  • Controleer de naleving van procedures en voorschriften.


11 veiligheidsgedrag 17

11 Veiligheidsgedrag (17)

Werkplekinspecties:

  • Maak notities.

  • Kijk, luister, interview, adviseer en maak afspraken.

  • Informeer de betrokkene (zowel over de positieve als negatieve aspecten).

  • Laat de betrokkene in zijn waarde.

  • Ga in op verandering van gedrag door aanwezigheid.

  • Geef aandacht aan recente incidenten.


11 veiligheidsgedrag 18

11 Veiligheidsgedrag (18)

Onderwerpen werkplekinspecties:

  • Gebruik van collectieve en persoonlijke bescherming.

  • Opstelling en handeling van personen.

  • Gebruik van gereedschap en apparatuur.

  • Orde en netheid.

  • Toepassen van procedures en voorschriften.

  • Rapporteer bevindingen, te nemen acties en wie deze moeten nemen en opvolgen.


11 veiligheidsgedrag 19

11 Veiligheidsgedrag (19)

Toolboxmeetings:

  • Wat is een toolboxmeeting.

    Korte vergadering op de werkplek, interactief in informele sfeer. Onderwerpen: Veiligheid, gezondheid en milieu.

  • Doel van een toolboxmeeting.

    Voorlichten en motiveren van medewerkers om onveilige

    handelingen en situaties te voorkomen.

  • Deelnemers aan de toolboxmeeting.

    Leiding van de afdeling / dienst.

    Operationele medewerkers.


11 veiligheidsgedrag 20

11 Veiligheidsgedrag (20)

Toolboxmeetings:

  • Te nemen acties.

    Leg gemaakte afspraken schriftelijk vast in toolboxverslag.

    Toets of de inhoud van de toolbox begrepen is.

  • Onderwerpen.

    Gebruik van (aanvullende) PBM’s.

    Orde en netheid.

    Werkmethoden en (nood)procedures.

    Incidenten en ongevallen.

    Werkplekinspecties.


11 veiligheidsgedrag 21

11 Veiligheidsgedrag (21)

VCA (VGM Checklist Aannemers):

  • VGM: Veiligheid, Gezondheid en Milieu

  • Checklist: Vragenlijst uitgewerkt als doorlichting- en screeningsysteem van het bedrijf.

  • Aannemers: Bedrijven die voor en bij anderen (opdrachtgevers) werkzaamheden verrichten.

  • Keurmerk om VGM beheersing aan te tonen.

  • Voor bedrijven die hun medewerkers risicovolle werkzaamheden (of omgeving) laten verrichten.


11 veiligheidsgedrag 22

11 Veiligheidsgedrag (22)

VCA (VGM Checklist Aannemers):

  • Beheersing van de activiteiten (VGM) op de werkvloer.

  • Voorkomen van incidenten.

  • VCA*: Gericht op directe VGM-zorg op bij activiteiten op de werkvloer.

  • VCA**: Bovenop VCA* worden extra structuren en systemen van de aannemer beoordeeld.

  • Petrochemie: In aanvulling op VCA**, voor bedrijven die risicovolle werkzaamheden in de petrochemie doen.


11 veiligheidsgedrag 23

11 Veiligheidsgedrag (23)

VCU (VG Checklist Uitzendorganisaties):

  • Beheersing door uitzendorganisaties van het VG proces.

  • Bij ter beschikking stellen van uitzendkrachten.

    VCO (VGM Checklist Opdrachtgevers):

  • Opdrachtgever zorgt voor juiste VGM omstandigheden.

  • Wanneer op het terrein VCA en VCU gecertificeerde aannemers en uitzendkrachten werkzaam zijn.


11 veiligheidsgedrag 24

11 Veiligheidsgedrag (24)

Veiligheidspaspoort:

  • Persoonlijk boekje met belangrijke gegevens over: Opleidingen / trainingen, medische geschiktheid en inentingen.

  • Werkgever heeft procedure om dit correct in te vullen.

    SOG-opleidingen:

  • Aantal activiteiten / functies moeten geëxamineerd worden bij een erkend examencentrum.

    Vorkheftruck, verreiker, hoogwerker, lagedrukflenzen,

    buitenwacht, verplaatsen van lasten, onafhankelijke

    adembescherming en gasmeten.


11 veiligheidsgedrag 25

11 Veiligheidsgedrag (25)

Opleidingseisen:

  • Operationele medewerkers:

    Diploma Basisveiligheid VCA (BVCA).

    Aanvullende en benodigde certificaten en attesten.

  • Operationeel leidinggevenden:

    Diploma VCA-VOL of VCU-VIL.

    Aanvullende en benodigde certificaten en attesten.

  • Specifieke taken en functies:

    Certificaat van betreffende SOG opleiding.


12 bedrijfsnoodplan 1

12 Bedrijfsnoodplan (1)

Bedrijfsnoodplan:

  • Beschrijving van maatregelen om een bedrijf voor te bereiden als er zich noodsituaties voordoen.

  • Beschikbare noodvoorzieningen en menskracht binnen het eigen bedrijf (intern) of andere organisaties (extern).

  • Effecten van een mogelijke noodsituatie beperken.

  • Informatie voor personen.

    Melding (melden van ongevallen / incidenten, hulpdiensten).Interventie (locatie hulpmiddelen, eerste hulp, wegnemen).

    Evacuatie (plattegrond, middelen, alarm, oefening).


12 bedrijfsnoodplan 2

12 Bedrijfsnoodplan (2)

Bedrijfshulpverlening:

  • Moet in ieder bedrijf of instelling georganiseerd zijn.

  • Moet in ieder bedrijf of instelling gewaarborgd zijn.

  • Er moet voldaan worden aan bepaalde opleidingseisen.

    Voorbereiden van personeel op noodsituaties.

    Testen van het bedrijfs- of internnoodplan.

    Testen of het personeel voldoende is voorbereid.

  • Er is een vastgesteld takenpakket.


12 bedrijfsnoodplan 3

12 Bedrijfsnoodplan (3)

Bedrijfshulpverlening:

  • Verlenen van eerste hulp.

  • Bestrijden van een beginnende brand.

  • Evacueren van aanwezige personen.

    Minimale uitrustings- en opleidingseisen:

  • Voldoende EHBO en blusmiddelen aanwezig.

  • Voldoende opgeleide hulpverleners.

  • Minimaal 1 evacuatieoefening per jaar (deelname aan oefening bij opdrachtgever verplicht).


  • Login