In
This presentation is the property of its rightful owner.
Sponsored Links
1 / 20

mit PowerPoint PPT Presentation


  • 110 Views
  • Uploaded on
  • Presentation posted in: General

in. mit. durch. von. zu. zwischen. aus. bei. an. seit. neben. für. unter. v oorzetsels met een naamval. Om met voorzetsels en naamvallen te kunnen werken, moet je uiteraard deze schema’s kennen !!. voorzetsels met 3 e naamval. Die Katze spielt mit d______ Ball (m)

Download Presentation

mit

An Image/Link below is provided (as is) to download presentation

Download Policy: Content on the Website is provided to you AS IS for your information and personal use and may not be sold / licensed / shared on other websites without getting consent from its author.While downloading, if for some reason you are not able to download a presentation, the publisher may have deleted the file from their server.


- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - E N D - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -

Presentation Transcript


Mit

in

mit

durch

von

zu

zwischen

aus

bei

an

seit

neben

für

unter


Mit

voorzetsels met een naamval


Mit

Om met voorzetsels en naamvallen te kunnen werken,

moet je uiteraard deze schema’s kennen !!


Mit

voorzetsels met 3e naamval

Die Katzespieltmit d______ Ball (m)

Die Katze/spielt/ mit3 d____3Ball.

Unser Auto steht bei d_______ Kirche (v)

Unser Auto /steht/bei3 d____3Kirche.

Oma hat vonihr_____ Enkelkinder___ (mv) schöneBlumenbekommen.

Oma / hat /von3 ihr___3 Enkelkinder__3/schöneBlumen/bekommen.

em

er

en n


Mit

voorzetsels met 4e naamval

Jochenschwimmtdurch d_______ Wasser (o).

Jochen/schwimmt/ durch4 d___4 Wasser.

Ohnemein______ Handy(o) kannich nicht leben.

Ohne4 mein____4 Handy /kann/ich/ nicht /leben.

as

--


Mit

voorzetsels met 3e of 4e naamval

hoofdregel


Mit

  • Ichliege in mein_______ Bett (o).

  • Ich/liege/inmein____ Bett (o).

  • Hier kan je de vraag stellen: WAAR lig ik?Antwoord: in mijn bed 3e naamval

  • Er is sprake van ‘rust’.

em


Mit

Die VasemitBlumenstehtauf d_____ Tisch (m).

Die VasemitBlumen/steht/auf d___ Tisch.

Hier kan je vragen: WAAR staat de vaas met bloemen?Antwoord: op de tafel 3e naamval

Er is sprake van ‘rust’

em


Mit

Meine Tante stellt die Vaseauf d______ Tisch (m).

Meine Tante / stellt / die Vase / auf d___ Tisch (m).

Hier kan je vragen: WAARHEEN zet mijn tante de vaas?Antwoord: op de tafel 4e naamval

Er is sprake van ‘beweging’. De vaas gaat van A naar B.

en


Mit

Kann dein Bruder den Wagen nicht in d______ Garage (v) fahren?

Kann/ dein Bruder/ den Wagen / nicht / ind___ Garage (v) /fahren?

Je kan hier vragen: WAARHEEN rijdt jouw broer de wagen?Antwoord: in de garage 4e naamval

Er is hier sprake van ‘beweging’: De wagen gaat van A naar B.

ie


Mit

  • Wat is het verschil tussen:

  • Die Polizei springt zwischen den3 Demonstranten (mv).

  • Die Polizei springt zwischen die4 Demonstranten (mv).


Mit

  • Wat is het verschil tussen:

  • Die Polizei springt zwischen den3 Demonstranten (mv).

  • Die Polizei springt zwischen die4 Demonstranten (mv).

WAAR ?  3e naamval

WAARHEEN ?  4e naamval


Mit

  • Als je de vragen WAAR of WAARHEEN níet kunt stellen.

  • Als er géén sprake is van ‘rust’ of ‘beweging’.

  • Als er sprake is van TIJD / tijdsbepaling / WANNEER ?

7 / 2 – regel


Mit

7 / 2 – regel

Auf dies____ Weise (v) geht es wirklich nicht.

Auf dies__ Weise (v) /geht/ es /wirklich/ nicht.

Hier kan je niet vragen:- WAAR gaat het niet?Antwoord: op deze manier- WAARHEEN gaat het niet?Antwoord: op deze manier

Ook is er geen sprake van ‘rust’ of beweging’.

7/2-regel 4e naamval

e


Mit

7 / 2 – regel

Vorein_____ Woche (v) war der Junge noch krank.

Vorein___ Woche (v) / war / der Junge/ noch / krank.

Hier is sprake van TIJD.Je kan de vraag stellen: WANNEER was de jongen ziek?Antwoord: een week geleden

7/2-regel 3e naamval

er


Mit

Let op: door verschil van naamval kan je heel verschillende betekenissen krijgen.

Er wartetauf dem3 Bus (m).

WAAR wacht hij?- op de bus

 3e naamval

Er wartetauf den4 Bus (m)

De vragen WAAR en WAARHEEN kan

je niet stellen.

 7/2-regel  4e naamval


Mit

  • Wat is het verschil tussen:

  • Er wartetauf seiner3Freundin (v).

  • Er wartetauf seine4Freundin (v).


Mit

  • Wat is het verschil tussen:

  • Er wartetauf seiner3Freundin (v).

  • Er wartetauf seine4Freundin (v).

  • Hij wacht op haar… en maar wachten…. wachten…

WAAR ?  3e naamval

7/2-regel  4e naamval


Mit

Nog eentje om het af te leren.

Lene hat Geburtstag. Siestehtauf d____ Stuhl (m) undwartetauf d_____ Musik (v).

Lene/ hat /Geburtstag. /Sie/steht/aufd____ Stuhl (m) /und/wartet/aufd___ Musik (v).

em

ie

WAAR staat Lene? Op de stoel WAAR / ‘rust’  3e naamval

Niet : WAAR / WAARHEEN wacht Lene?Geen ‘rust’ of ‘beweging’ 7/2-regel  auf + 4e naamval


Mit

Viel Erfolg !


  • Login